Water voor de dieren: het drenken van vee

Door Piet van Cruyningen

De vraag over het drenken van het vee die Petra opwerpt in haar blog is in de Nederlandse landbouwgeschiedenis nog nooit echt onderzocht, hoewel er in de collecties van boerderijonderzoekers als Klaas Uilkema en Hendrik Jan van Houten – bewaard bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort – waarschijnlijk wel aantekeningen over te vinden zijn.

Er is me wel een en ander bekend over het drenken van koeien en paarden in Zeeland. De drinkwatervoorziening was daar extra problematisch omdat een groot deel van het grondwater er brak was, als gevolg van verzilting door de zoute Zeeuwse stromen. Veel dorpen hadden daarom een vijver met een bodem van niet-doorlatende klei, waarin regenwater werd opgevangen. Zo’n vijver, die op de Zeeuwse eilanden ‘vate’ werd genoemd, kon bluswater leveren in geval van brand, maar diende vooral ook om paarden te drenken. Voor die dieren was er een bestrate helling waarlangs ze omlaag konden lopen om te drinken. De boerderijen buiten het dorp hadden een eigen vijver. Dagelijks, aan het eind van de werkdag, liepen de paarden naar die vijver om te drinken.

De vate van Baarland, gefotografeerd in 1966 door G.J. Dukker. Bron: Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, documentnummer 160.474.

Voor de koeien werd deze voorziening niet gebruikt. In de zomer liepen ze buiten in de wei en konden drinken uit de sloten. Was het water in de sloot te brak, dan vulde de boer een trog met drinkwater, soms uit een ‘tankwagen’, een boerenwagen met een watertank erop. ’s Winters, als de koeien op stal stonden, kregen ze emmers water voorgezet. Dat was veel werk, maar de meeste boeren hadden vaste arbeiders die in de winter niet veel te doen hadden, dus dit was een vorm van werkvoorziening. Bovendien waren de meeste Zeeuwse boeren in de eerste plaats akkerbouwer. De rundveestapel op de Zeeuwse boerenbedrijven was daardoor niet groot. Zeker vanaf eind negentiende eeuw, toen het belang van stalmest afnam door de opkomst van kunstmest, hielden de meeste boeren slechts enkele koeien.

Waarom werden de vijvers niet ook gebruikt om de koeien te drenken? Op die vraag heb ik geen echt antwoord. Het kan zijn dat de hellingen te steil waren voor koeien. Het kan er ook mee samenhangen dat koeien niet graag naar buiten gaan als ze eenmaal lekker warm op stal staan. Het is heel moeilijk om koeien ’s winters naar buiten te krijgen. Dat bleek tijdens de ramp van 1953 toen veel koeien in hun stal verdronken, terwijl paarden overleefden omdat ze wel de koude nacht in durfden.


Dr. Piet van Cruyningen is agrarisch historicus aan de universiteit van Wageningen

Projectbezoek Openluchtmuseum Arnhem

Door Dániel Moerman

Het project ‘Omgaan met Droogte’ gaat over de rol van water in het dagelijks leven van mensen door de eeuwen heen. Sporen van hoe men vroeger aan drinkwater kwam zijn op veel historische plekken in Nederland nog te aanschouwen, zij het in gerenoveerde of in geremodelleerde staat. Er is in Nederland echter één specifieke plek waar een groot deel van dit soort oude drinkwatersystemen bij elkaar zijn gebracht, namelijk het Openluchtmuseum in Arnhem. Vorig jaar schreef Leendert van Prooije, inmiddels gepensioneerd wetenschappelijk medewerker van het Openluchtmuseum, een column over ons project in het kader van onze samenwerking. Bijna een half jaar later brachten wij als projectgroep een bezoek te brengen aan het museum en presenteerden we ook enkele voorlopige conclusies uit de verschillende deelonderzoeken aan de opvolger van Leendert: Hubert Slings.

Het projectteam bij de waterput van de achttiende-eeuwse boerderij uit Harreveld in het Openluchtmuseum Arnhem (Foto: Hubert Slings)

Op 20 augustus werden wij in de ochtend zeer hartelijk ontvangen met koffie en huisgebakken boterkoek, waarna de presentaties plaatsvonden in het auditorium. Allereerst presenteerde Hubert de interessante wordingsgeschiedenis van het Openluchtmuseum, dat sinds de oprichting in 1912 is getransformeerd in een rijke verzameling aan materieel erfgoed uit alle streken van Nederland. Hij stond ook stil bij enige interessante voorbeelden van premoderne watersystemen, zoals putten en pompen, die we na de presentaties met eigen ogen mochten aanschouwen. Wat we echter niet konden aanschouwen was een voorbeeld van een ondergrondse regenwatercisterne, zoals die recent nog in Amsterdam werd aangetroffen. Maar onderzoek naar cisternen die mogelijk bestaan hebben onder naar het museum verplaatste gebouwen kan nog uitgevoerd worden dankzij de vele inventarissen die in de loop der eeuwen bij iedere overplaatsing zijn gemaakt.

Petra zette de hoofdlijnen van ons onderzoeksproject uiteen, met een presentatie die ook op onze website te vinden is. Milja presenteerde over haar deelonderzoek naar de watervoorzieningen van diverse weeshuizen in Amsterdam, waarin cisternen een belangrijke functie hadden. Dániel, vertelde over diens deelonderzoek in de oostelijke regionen van ons land, waar de focus meer op grondwater lag. In bepaalde steden zoals Deventer ontstonden aan het einde van de middeleeuwen zelfs heuse putgemeenschappen. Deze putgemeenschappen speelden een belangrijke rol in het onderhoud en gebruiksklaar houden van de putten, die behalve voor de drinkwatervoorziening ook voor de stedelijke brandbestrijding in de vroegmoderne periode van groot belang waren. Maar ook hier werd regenwater verzameld. Verschillende, waarschijnlijk rijke burgers van Deventer lieten ook gedurende de zeventiende en achttiende eeuw regenwatercisternen bij of onder hun huizen bouwen.

Een deel van de projectgroep kijkt naar een put bij de boerderij uit Krawinkel (Foto: Petra van Dam)

Na de presentaties volgde een wandeling en beknopte tramtocht door het immense museum. Hierbij stonden we onder andere stil bij de waterput van de achttiende-eeuwse boerderij uit Harreveld (zie foto projectgroep eerder). Ons bezoek was zeer inspirerend en we hebben ook ideeën opgedaan voor de ontwikkeling van de samenwerking.

Waterleidingen en bomen

Door Petra van Dam

De vakantieverhalen van Daniël en Marja inspireren mij tot overpeinzingen van mijn vakantie-ervaringen met drinkwatermonumenten. Het is gek maar zodra onderzoekers een nieuw onderzoeksonderwerp hebben, zien ze overal om zich heen onderwerpen voor onderzoek opdoemen.

De cisternen met waterputten in het verhaal van Marja doen me denken aan de prachtige waterput in de burcht Forchtenstein in het grensgebied van Oostenrijk en Hongarije. De burcht staat op een grote rots en de put is op een binnenplaats 50 m diep in de berg uitgehouwen. Een looprad met een diameter van zeker drie meter (daarin liep iemand) bedient de enorme emmers die naar beneden gelaten werden.

Daarbij is de put in een uitbouwtje van een kasteelkamer van Slot Loevestijn (beroemd kasteel omdat Hugo de Groot daar gevangen zat en ontsnapte in een boekenkist) maar eenvoudig.

Water optakelen uit de slotgracht van kasteel Loevestein in een uitbouwtje van een woonvertrek op de tweede etage (Foto: P. Rumler)

Aquaducten bevinden zich op veel plekken in Europa, maar zo’n oude als Daniël op Sicilië heeft ontdekt, en die bovendien nog functioneert, heb ik nog nooit gezien. Ik heb wel een keer op een Romeins aquaduct bij Les Beaux-de-Provence gelopen, dat vond ik al heel spannend.

Sinds het begin van ons onderzoeksproject verzamel ik foto’s van pompen. Vorig jaar vond ik twee pompen in Hasselt (1776). Een daarvan heeft oranje afzettingen, ontstaan door het ijzerhoudende grondwater van de Veluwe. Er zijn ook veel oranje beekjes op de Veluwe. Sommige pompen zijn prachtig versierd. Op een van mijn fietstochten deze zomer trof ik een pomp aan op het centrale plein van de oude dorpskern van Wassenaar, met daarop wapentjes met de halve maantjes van het adellijke geslacht Van Wassenaar dat daar eeuwenlang de baas was. Qua positie in het ruimtelijke patroon deed de pomp me denken aan de Mariapomp in Utrecht, die we op onze excursie vorig jaar bezochten, en die ook op een centraal plein stond. Pompen staan vaak op belangrijke (markt)pleinen, maar een enkele keer staan ze ook geleund tegen een kerk, waar ze vermoedelijk toegang geven tot een cisterne die gevoed wordt vanaf het kerkdak. Ik denk dat de pomp van de wijk Burchtstreng bij de Hooglandse kerk in Leiden zo’n geval is, maar je weet het nooit. Een pomp kan ook verplaatst zijn toen hij niet meer nodig was en men hem als monument wilde bewaren.

Tijdens de afgelopen vakantie in het zuiden van Oostenrijk had ik de kans te kijken naar de watervoorziening van boerderijen en stallen. De volkskundige verzameling van het stadsmuseum van Spittal in Karinthië bevat een boeren- of stokwatermolen. Dat is een kleine watermolen die op een steil bergbeekje draaide voor een boerderij of een klein groepje boerderijen. Ze werden voornamelijk gebruikt voor het malen van graan, maar ze konden ook ingezet worden voor het persen van lijnzaad (voor bereiding van olie).

Het meest intrigerend vond ik de boormachine voor het uitboren van boomstammen, die ook aangesloten kon worden op een watermolen. Hiermee werden namelijk waterleidingen gemaakt. In de boor zit een lepelboor waarmee de boomstam uitgehold wordt. Het einde van de stam wordt een beetje afgevlakt en zo kunnen de stammen in elkaar geschoven worden. Misschien werden de naden wel met gedroogd mos waterdicht gemaakt, zoals dat ook bij schepen in Nederland gebeurde. Mos zet uit als het nat wordt.

Bomen boren (Bron: H. Prasch, Alte Kärntner Holzkultur (Spittal 1980), 117).

De houten waterleidingen brachten me op de volgende gedachte. Zouden in landen waar veel bos is en waar dankzij reliëf vrij makkelijk veel watermolens functioneren, al eerder waterleidingen gebouwd zijn dan in ons vlakke land waar al eeuwen nauwelijks bomen zijn? Met makkelijk bedoel ik ook goedkoper. In noordwest Europa zijn ook wel enkele vroege waterleidingbuizen van aardewerk bekend, maar dat lijkt me toch veel meer werk en vooral ook energie-intensief. Klei moet gebakken worden en daarvoor is dan ook weer de kap van hout nodig. Misschien heeft een Duitse historicus dit allang uitgezocht, want in Duitsland is al veel onderzoek gedaan naar watertechnologie.

Ik heb in de zomer  ook een dag doorgebracht in het openluchtmuseum van Stübing. Daar staan de meest prachtige boerderijen met stallen uit heel Oostenrijk. Vaak zijn die overgebracht als er ergens een stuwdam werd gebouwd en een dal onder water gezet werd. Oostenrijk zit vol met stuwmeren voor de opwekking van elektriciteit. Binnen in de boerderijen was eigenlijk geen watervoorziening te vinden, maar erbuiten was vaak een eenvoudige, doeltreffende inrichting. Vanuit de bergwand kwam een houten waterleiding, waaruit constant water liep in een trog, een uitgeholde boomstam, en dat werd constant ververst, want de trog had een overloop. In de trog kun je snel even een emmer dompelen en voor het schoonste water zet je de emmer onder de waterleiding. De trog is groot, daar zou je ook kleding in kunnen wassen en andere zaken.

Ik vroeg me af hoe de beesten in de stallen gedrenkt werden. Daar was geen waterleiding, maar in sommige stallen had ieder rund een stenen trog. Dus nu zijn er twee opties: men leidde de beesten naar de grote trog buiten, of men sleepte het water voor de beesten aan met emmers en vulde de bakken in de stal. Een beetje moderne Nederlandse koe drinkt al gauw 60 liter per dag, dus dat laatste zou een zware klus geweest zijn, maar het rondlopen met koeien rondom een boerderij is ook een gedoe. Ze willen vermoedelijk ook niet zo braaf de voorraad water voor een hele dag in een keer opdrinken. Het zijn geen kamelen.

Drinkwaterinstallatie gevoed door bergwater in Oostenrijk (Foto: P. Rumler)

In het Openluchtmuseum in Arnhem staat een Noord-Hollandse stolpboerderij met een kalverenstal geïntegreerd in het woonhuis. De boerderij is voorzien van een cisterne gevoed vanaf het dak en in de stal is een nog originele houten pomp. De Hollandse oplossing was mogelijk dus heel wat minder arbeidsintensief dan de Oostenrijkse, althans in Noord-Holland waar de veeteelt domineerde en waar al vanaf de middeleeuwen de landbouw relatief modern was.

Wordt vervolgd!

Monumentale cisterne in Piran: Coping with drought in 1775

Door Marja Heier

In 2020 reisde ik, toen het even kon, door Slovenië. In het stadje Piran keek ik vol bewondering naar een overblijfsel uit de watergeschiedenis. Mijn verwondering behelsde twee dingen: wat snel heeft men een toekomstgerichte oplossing bedacht, zonder te weten hoe het weer zich in de toekomst zou gedragen, en wat praktisch is er van diverse mogelijkheden gebruikt gemaakt.

Het stadje Piran, gelegen op een schiereiland dat onderdeel is van het kleine stukje kust dat Slovenië bezit, was al in handen geweest van diverse heersende rijken, toen het in 1283 onderdeel van de staat Venetië werd, dat op een afstand van 196,1 km over water, tegenover Piran ligt. Piran had hierdoor een eeuwenlange bloeitijd. Bouwwerken verrezen en stadsmuren werden aangelegd, als bescherming tegen de omliggende steden. Dit veranderde toen Venetië in 1797 onder invloed van Napoleon kwam. Voordat het land Slovenië werd uitgeroepen, zorgde voormalig Joegoslavië dat het oude centrum werd geconserveerd. Het stadje is nu een ‘cultureel monument’ langs de Adriatische Zee. Genietend rondkijkend, belandde ik op en terrasje op Prvomajski Trg of 1st May Square (tot de dertiende eeuw zat hier een administratief centrum; het plein wordt daarom ook wel Old Square genoemd).

Ook in de vakantie reist ‘Coping with drought’ mee. Mijn aandacht werd niet alleen naar de twee putten getrokken, maar ook naar overblijfselen aan de oude huizen die samen leken te hangen met deze putten. Gelukkig was er een toeristenfoldertje dat duidelijk maakte dat hier een mooi stuk (drink)watergeschiedenis is te zien. ‘After a severe drought in 1775 a stone rainwater collector was built here, with gutters from the neighbouring building connected to it. Stairs lead to the entrance of the platform, watched over by the sculpted personifications of Law and Justice.’

(Foto: Marja Heier)

De foto boven toont een overzicht van het plein met de twee putten, richting de trap met de twee genoemde beelden. Hieronder de indrukwekkende deksels.

Aan de overzijde van de trap staan op de hoeken van het plein zuilen met beelden die de afvoer uit de goot moeten begeleiden. Het water liep uit de goten van de omliggende huizen via schuin naar beneden lopende buizen die werden ondersteund door de beelden. Het water kwam zo op het hoger gelegen plein. Hoe het water in de eronder liggende cisterne kwam is nu niet meer aangegeven. Via de twee putten kon de bevolking voortaan in droge tijden op een praktische manier aan water komen.


Lees meer over Piran op de website van het toeristenbureau van Portoroz en Piran: https://www.portoroz.si/en/discover/piran


Deze blog is onderdeel van een korte serie van vakantieblogs. Druk op de onderstaande knop om de vorige blog te lezen.

Een avontuurlijke expeditie naar een eeuwenoud aquaduct op Sicilië

Door Dániel Moerman

Het is heel bijzonder wanneer je toegang krijgt tot een plek waar de meeste mensen niet zomaar worden toegelaten. Tijdens mijn afgelopen vakantie op het Italiaanse eiland Sicilië mocht ik zo’n plek bezoeken. Het ging hierbij om niets minder dan het eeuwenoude Galermi aquaduct dat rond 480 v.C. gebouwd is onder de heerschappij van de Griekse tiran Gelon van Syracuse.

Historisch gezien diende dit aquaduct als voornaamste watervoorziening voor de Griekse stad Syracuse. Het bestaat voor het overgrote gedeelte uit tunnels die in de bergen zijn uitgehakt en waardoor het water naar beneden stroomt. Uiteindelijk komt dit water via onder- en bovengrondse kanalen terecht bij de stad. Het eindpunt van het aquaduct bevindt zich hier nog steeds bij de necropolis achter het oude Griekse theater waar de beroemde uitvinder Archimedes (c.a. 278-212 v.C.) zou zijn begraven. De bron van het aquaduct ligt echter op 30 kilometer afstand van de stad in de Hyblaeïsche Bergen. Het water uit dit gebergte stroomt via een aantal beken naar de ingang die ook wel de Calcinara wordt genoemd, verwijzend naar het hoge kalkgehalte in het water afkomstig van het kalksteen van de bergen. Omdat de Calcinara door kalkafzetting vaak geblokkeerd raakt, bestaat één van de voornaamste werkzaamheden vandaag de dag nog steeds uit het schoonmaken van deze ingang, wat ik deze zomer met eigen ogen mocht zien.

De Calcinara voordat de kalklaag bij de ingang is verwijderd (Foto: Dániel Moerman)

Om bij de Calcinara en de gangen van het aquaduct terecht te komen moet je echter wel eerst een voettocht van ruim 2 uur afleggen door een beschermd natuurgebied. Hiervoor is geen aangewezen pad, dus kun je het alleen bereiken met een gids. Omdat het aquaduct een beschermde status geniet mag ook niet zomaar iedereen het bezoeken. De vader van mijn Siciliaanse partner is echter afkomstig uit Solarino, het dorp vlakbij dit natuurgebied, en hij kende de werklieden die om de twee weken de Calcinara inspecteren en schoonmaken. Bij hoge uitzondering mocht ik samen met mijn vriendin daarom met deze werklieden mee om het aquaduct met eigen ogen te aanschouwen. Ik merkte daarbij ook goed waarom je een gids nodig hebt om er te geraken, want we moesten ons een weg banen door dik struikgewas met een kapmes. Daarnaast klommen we met primitieve ladders en touwen over enkele rotsen om uiteindelijk bij het aquaduct te belanden. Onderweg zag ik echter goed hoe helder het water was, al durfde ik het in tegenstelling tot mijn reisgenoten niet te drinken. Op bepaalde punten konden we ook goed een kijkje nemen  in de gangen die in de 5e eeuw v.Chr. met de hand werden aangelegd door Carthagese krijgsgevangenen. Nadat de dikke kalklaag bij de Calcinara was schoongemaakt zag ik hoe de waterstroom door deze gangen flink versnelde. Het aanbod om met een zaklamp door de gangen te kruipen wees ik echter af omdat de nauwe en lage gangen een nogal claustrofobische indruk op mij maakten.

Hoewel het aquaduct al lang niet meer als watervoorzienig van Syracuse geldt, wordt het water vandaag de dag nog steeds volgens negentiende-eeuwse afspraken over de regio verdeeld om landbouwgronden te irrigeren. De werklieden die zich om de 2 weken een weg door de wildernis banen werken ook nog steeds volgens deze afspraken. Het Galermi aquaduct is hierbij een zeer interessant voorbeeld van een eeuwenoude watervoorziening die nog steeds functioneert.

Van stad naar waterschap

Door Marit Steman

We kunnen het ons nu niet echt meer voorstellen, maar in de middeleeuwen kon men het oppervlaktewater in de steden, het water uit de grachten dus, gebruiken als drinkwater. Mensen gooiden echter steeds meer vuil in het water en na 1600 verslechterde de kwaliteit van het oppervlaktewater zo dat de grachten in steden vaak open riolen werden, voornamelijk in het westen. Hoewel steden een poging deden om het grachtenwater meer te verversen en men verbood om vuil in het water te gooien was het handhaven lastig, ook omdat de waterschappen niet altijd meewerkten. Natuurlijk waren er lokale verschillen in omstandigheden, maar zover nu bekend waren er een groot aantal steden waar het oppervlaktewater niet langer als drinkwater gebruikt kon worden.

De Goudsbloemgracht in Amsterdam, een visueel icoon van de vervuilde grachten. W. Hekking jr., ca. 1850. (Bron: Stadsarchief Amsterdam)

Nieuwe ideeën over hygiëne en vuil water ontstonden eind achttiende eeuw en ontwikkelden zich in de eeuw die volgde. Pas na verscheidene veranderingen in de politieke cultuur, economische bloei en de ontwikkeling van nieuwe technologieën werden deze ideeën opgenomen in de sociale kwestie en geconcretiseerd in de invoering van het rioolstelsel. Ook de samenwerking tussen de steden en de waterschappen verbeterde.

In de twintigste eeuw werd het kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater ontwikkeld, de ideeën bouwden voort op die van de negentiende-eeuwse hygiënisten maar werden ook gevoed door de nieuwe milieubewegingen. De geschiedenis van het oppervlaktewater had ook anders kunnen lopen. Het is uitgelopen op de stichting van afvalwaterzuiveringsinstallaties, maar dit had ook een stadsmestverwerkende industrie kunnen worden. Misschien waren de zuiveringsinstallaties dan wel niet bij de waterschappen terecht gekomen. Wilt u precies weten hoe we van drinkbaar grachtenwater naar de zuiveringsinstallaties van nu zijn gekomen? Het hele verhaal kunt u lezen in het artikel van Petra van Dam hieronder.

Klimaatgeschiedenis voor scholieren

Door Dániel Moerman en Marit Steman

Zoals ieder jaar organiseert het Pre-University College van de VU een reeks masterclasses voor middelbare scholieren van het VWO uit Amsterdam en omstreken. Dit jaar werd er bij één masterclass onder andere stilgestaan bij het onderwerp water en klimaatverandering, waarbij behalve Coping with Drought promovendus Dániel Moerman een kunsthistoricus en een theoloog verschillende visies op het onderwerp presenteerden.

De masterclass werd dit jaar in verband met het Coronavirus digitaal georganiseerd, maar er deed toch een grote groep studenten mee van verschillende middelbare scholen.  Tijdens de eerste sessie op 11 mei gaf Dániel Moerman zijn deel van de masterclass waarin droogte en watertekort als een gevolg van klimaatverandering vanuit verschillende perspectieven werd beschouwd.  Allereerst werd aan de hand van het BNN/Vara tv-programma Waterman stilgestaan bij de huidige waterproblematiek in Nederland die mede veroorzaakt wordt door droogte, maar ook door menselijk keuzes in waterverbruik. Deze menselijke factor in het veroorzaken van droogte en watertekort werd daarna verder besproken met de leerlingen aan de hand van recente wetenschappelijke inzichten omtrent dit thema. Hoewel dit soms pittige stof was werd het door de leerlingen goed opgepakt en kwam het tot een levendige sessie waarin veel vragen werden gesteld.

Daarna werd het thema droogte en klimaatverandering vanuit een historisch perspectief benaderd. Hierbij werd vooral ingegaan op de verschillende wijzen waarop klimaatverandering zich in het verleden manifesteerde en hoe er vanuit verschillende hoeken van de samenleving op werd gereageerd. Dit leidde uiteindelijk tot het hoofdonderwerp, namelijk de verschillende manieren waarop men in het verleden met droogte en watertekort omging. Hierbij werd aan de hand van enkele voorbeelden uit ons huidige onderzoek geïllustreerd hoe binnen een stad als Deventer er verschillende maatregelen genomen werden om droogte te voorkomen. Voorbeelden hiervan waren het rantsoeneren van water, maar ook het opvangen en opslaan van regenwater. Uiteindelijk werden de leerlingen uitgedaagd om na te denken hoe deze ‘oude’ methoden om droogte en watertekort te bestrijden in het heden zouden kunnen worden toegepast. Sommige leerlingen waren bijvoorbeeld verrast over het feit dat er vaak maar weinig wordt gedaan met het opvangen en gebruiken van regenwater, terwijl dit een manier zou kunnen zijn om zowel water te besparen als effectiever gebruik te maken van verschillende watervoorzieningen. Dit soort maatregelen zouden in de toekomst weleens hard nodig kunnen zijn om watertekorten te voorkomen, omdat door klimaatverandering de aarde steeds meer lijkt ‘op te drogen’.

Uiteindelijk moesten de leerlingen in koppels presentaties voorbereiden voor het afsluitende deel van de masterclass. Voor het thema omtrent de historische kijk op droogte en klimaatverandering konden de leerlingen kiezen om via de digitale krantenbank ‘Delpher’ nieuwsberichten omtrent droogte te analyseren voor verschillende droogtejaren in de twintigste eeuw. Twee groepen kozen uiteindelijk voor deze aanpak en focusten op het jaar 1921 en 1976.

Slide van de masterclass sessie van Dániel Moerman

De presentaties vonden plaats op 31 mei, ook digitaal. De leerlingen maakten indruk op ons, alle presentaties waren van hoog niveau. In de presentaties over de droogtejaren 1921 en 1976 werden secuur een tiental aan krantenartikelen geanalyseerd aan de hand van vijf vragen: Welke woorden werden er gebruikt om de droogte te beschrijven? Welke sectoren werden getroffen door de droogte? Waren er verschillen in hoe verschillende kranten de droogte rapporteerden? Was de focus van de artikelen alleen op Nederland of ook op het buitenland? Werden er oorzaken voor de droogte genoemd?

In de presentaties lieten de leerlingen zien dat sommige landen juist profijt hadden van een droog jaar in Europa: de een zijn dood is de ander zijn brood, in dit geval bijna letterlijk want de Verenigde Staten konden door de mislukte oogst in Europa in 1976 veel meer graan exporteren. Ook werd er een link met de huidige situatie gelegd, we herinneren ons allemaal de droge en hete zomer van het afgelopen jaar.

De leerlingen vertelden dat men leerde van de situatie en in het jaar na de droogte preventieve maatregelen nam in de landbouw. Ze benoemden ook dat de natuur vaak de meest getroffen sector was, maar dat er nergens in de door hun gelezen artikelen oplossingen werden genoemd om deze gebieden weer te herstellen. Planten groeiden niet goed meer, bomen vielen om, maar hier werd niks aan gedaan.

Conclusies trekken uit de vergelijking van al deze krantenartikelen was soms nog wat lastig, maar er werd dapper een poging gewaagd. Eén groepje speculeerde dat een deel van het verschil in taalgebruik en diepgang in de artikelen kon worden verklaard door het bereik van de krant; lokale kranten rapporteerden over wat er gebeurde in de omgeving, terwijl landelijke kranten meer de droogte probeerden te verklaren.

Ook de andere presentaties waren interessant. Er werden kunstwerken besproken en vergeleken, en een oplossing gezocht voor waterproblemen in Kaapstad.

Alle leerlingen hadden veel tijd en energie in hun eindpresentaties gestoken, wat zorgde voor een informatieve en leuke middag!

Op bezoek bij de Visfontein in Leiden

Door Petra van Dam

Op woensdag 12 mei hielden we onze tweede buitendag, ditmaal in Leiden. We namen de kans waar om een aantal voorbeelden van drinkwatererfgoed te bekijken. Daaronder vielen mooie pompen in enkele hofjes en we ontdekten daar ook waterkelders. De toegangen waren zichtbaar als putdeksels (afb.1).

Afb. 1. De projectleden bij de pomp van het Meermansburghof. Foto: P. Rumler.

Het meest bijzondere watererfgoed was toch wel de Visfontein (1693) op de Vismarkt aan de Nieuwe Rijn. Hij werd gesticht door het Leidse stadsbestuur ten behoeve van de visverkopers op de markt. De aanleiding werd gevormd door klachten dat in de zomer het grachtenwater niet schoon genoeg was voor de vis die in korven in de gracht bewaard werd. Vermoedelijk gingen de visverkopers na het plaatsen van de fontein over op een andere tactiek en vulden bakken met water uit de fontein om daarin hun vis te bewaren tijdens de markturen. Een schilderij van rond 1600 geeft een gezicht op de Vismarkt (afb. 2). Op de voorgrond liggen grote en kleine vaartuigen afgemeerd met korven en andere objecten. Het kleine gebouwtje aan de rand van de kade vooraan, ter hoogte van de toren van het stadhuis, was het marktaccijnshuisje. Ter rechterzijde staan de lange visbanken van de ‘buytenluyden’, de verkopers van buiten de stad (misschien vooral zeevis?), ter linkerzijde staan de kleinere verkooptafels van visverkopers die burgers van Leiden waren (vooral zoetwatervis?). De Visfontein werd gebouwd op de plaats van het markthuisje.

Afb. 2. Schilderij van de Vismarkt en het gebuurt ’t Paltsgraafschap van de Rijn, ca. 1600. Leiden, Museum De Lakenhal. Bron: Walle, Buurthouden.

De Visfontein, gemaakt van hardsteen en wit marmer, bestaat uit twee delen: een grote verzamelbak geplaatst op een plateau met twee treden en een kolom. De vlakken zijn versierd met witmarmeren platen met vissenschubben en ijsdruppels. Langs de kolom staan twee dolfijnen, half verstrikt in visnetten. Op de kolom bevinden zich twee ‘zeemeerkinderen’ (kinderen met vissenstaarten en vinnen op de plaats waar putti’s vleugels hebben). Zij zitten op schelpen en dragen de zogenaamde kroon van de Romeinse zeegod Neptunus, die naar onze indruk samengesteld is uit de voorstevens van kleine houten (vissers-)schepen. Het water spuit op uit de kroon, uit de dolfijnen, uit kleine bakjes onderaan de grote bak, en zelfs in de bak staat een spuiter. Het laatste lijkt me niet zo handig voor het praktische gebruik door de visverkopers, maar op een afbeelding uit de achttiende eeuw (afb. 3), toen de fontein nog gebruikt werd door de visverkopers, zijn ook stralen vanuit de bak te zien. De fontein is in de huidige toestand niet perse exact hetzelfde als in de zeventiende eeuw, want hij is een aantal keren flink gerestaureerd, maar het achttiende-eeuwse beeld vertoont wel veel overeenkomsten met het huidige. Het geheel was vanaf het begin afgesloten, het water was alleen bedoeld voor de visverkopers. Het aanvankelijk eenvoudige hekwerk is in 1858 geheel vervangen door een nieuw ontwerp gedecoreerd met dolfijnen en tritons, drietanden, verwijzend naar het werktuig van Neptunus (afb. 4). De fontein werkte slechts enkele uren in de ochtend als de visverkopers actief waren en op speciale feestdagen zoals 1 mei en 1 oktober. Deze traditie wordt nog gehandhaafd. Wij waren toevallig op een marktdag in Leiden, dus we konden het kunstwerk met stromend water bewonderen.

Een heel bijzonder aspect van de fontein was wel de watertoevoer. Het water voor de fontein kwam van de Leidse burcht, gelegen aan de andere kant van de gracht (de Nieuw Rijn). Hij bestond (en bestaat) voornamelijk uit een heuvel, een terp eigenlijk, die in de vroege middeleeuwen was opgeworpen als vluchtburcht. Op deze plek bevond zich namelijk een strategische gelegen riviereiland, beschermd door twee takken van de Rijn, de Oude en de Nieuwe Rijn. Onderaan de burchtheuvel werd water opgevangen en van hieruit werd het water met hulp van een paardenmolen via loden buizen ter lengte van 150 m naar een grote waterkelder op de Burcht gepompt. Vandaar liep het water onder de Nieuwe Rijn door, en zelfs door een huis heen, naar de Vismarkt.

De fontein was niet alleen een wonder van watertechniek maar ook een prestigieus, barok kunstwerk van een type dat in tuinen van de aanzienlijken in de zeventiende eeuw voorkwam. Het was dus vanaf het begin veel meer dan een watervoorziening louter voor de markt, het was eveneens bedoeld als sieraad voor de stad. De gerenommeerde Leidse stadsarchitect Jacob Pietersz. Roman (1640-1716), die ook aan het huis Den Bosch en paleis ’t Loo had gewerkt, was verantwoordelijk voor het ontwerp en de realisatie. De bouw en het beeldhouwwerk werden uitgevoerd door de drie beeldhouwers: Jacobus Hannaert, Cornelis Minne en Willem Drijfhout.

De ingebruikname van de fontein op 1 mei 1693 was een feestelijke gebeurtenis en die werd luister bijgezet door het slaan van een nieuwe penning van de stad Leiden. De penning (afb. 5), gegraveerd door Johannes Smeltzing, draagt een afbeelding van de Leidse Maagd gezeten op een stapel lakense stoffen (de voornaamste industrie van Leiden was de textielfabricage) waarover een afbeelding van de Universiteit hangt, in gesprek met een leeuw, die een hoorn des overvloeds uitstort over een ton met Rijnwater. De fontein is afgebeeld aan de rechterzijde van de Maagd aan de voet van de Burcht.

Afb. 5. Penning geslagen t.g.v. de inauguratie van de Visfontein in 1693. Bron: Uittenbroek, Sieraden.

De fontein droeg bij aan het imago van de stad. Hij werd geplaatst op de Vismarkt direct aan de rand van de gracht, maar de Vismarkt was dichtbij het stadhuis, dus de bestuurders konden er in de pauze van een vergadering makkelijk even langslopen en het nieuwe stadssieraad ook laten zien aan hun bezoek. Het stond als het ware in hun achtertuin. Ook op een andere manier droeg de fontein mogelijk bij aan het imago van de stad. De burcht behoorde vanouds toe aan de burggraven van Leiden en was pas in 1651 in het bezit van de stad gekomen. De stad vormde burcht en heuvel om in een groene uitspanning met fruitbomen en een doolhof en er werden herten uitgezet. In de Burcht kon men bier consumeren. De burchtheuvel werd daarmee het eerste stadspark in Leiden, gericht op ontspanning in de buitenlucht voor de burger. Net als de Burcht voegde de bezienswaardige Visfontein recreatieve waarde toe aan de openbare buitenruimte voor de burger. Maar bovendien verbond de fontein de oude voorname burcht met het bestuurlijke centrum van de stad op een wel heel praktische manier: de oude, grafelijke burcht gedegradeerd tot watertoren.


Literatuur

Veldhuyzen, E.J. e.a. (red.), ‘De Leidse monumenten en het Leidse stadsgezicht. Veranderingen van het stadsbeeld/Bouwhistorisch en archeologisch jaaroverzicht’, Leids Jaarboekje (LJ) (1980) 194; (1997) 201.

Mieris, F. Van, Beschrijving der stad Leyden (Leiden 1762-1770), deel 2, 528.

Moerman, I., ‘De Vismarkt’, LJ (1979) 95-112.

Smit, C. Leiden met een luchtje. Straten, water, groen en afval in een Hollandse stad, 1200-2000 (Leiden 2001).

Uittenbroek, M., Sieraden in de stad: beelden en fonteinen in Leiden (Leiden 1999).

Walle, K., Buurthouden. De geschiedenis van burengebruiken en buurtorganisatie in Leiden (14e-19e eeuw) (Leiden 2005).

https://rijksmonumenten.nl/monument/25663/vismarktfontein-hardsteen-met-wit-marmer-beeldhouwwerk-van-johs-hannaert-en-cornelis-minee-in-1858-door-gegoten-hek-met-motieven-omgeven/leiden/ [19-5-2021].


Volg ons nu ook op twitter!

Waterkelder in Amsterdam ontdekt

Door Milja van Tielhof

De nieuw ontdekte kelder is meer dan 3 meter diep. Foto: Stadsherstel Amsterdam/Jan Reinier van der Vliet

Op 26 april maakte Stadsherstel Amsterdam bekend dat onder het Betty Asfalt complex, het theater van Paul Haenen, een achttiende-eeuwse waterkelder is ontdekt. Een fraaie, gewelfde ruimte met twee compartimenten, gelegen ruim 3 meter onder NAP. De kelder is gebouwd om regenwater in op te kunnen slaan en gezien zijn oppervlakte van ongeveer 3 bij 3,6 meter kon er een flinke voorraad in. De kelder werd volkomen onverwachts ontdekt tijdens werkzaamheden aan de fundering van het pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal 282. Hoe bijzonder is deze vondst?

De twee compartimenten van de waterkelder. Foto: Stadsherstel Amsterdam/Jan Reinier van der Vliet

Stadsherstel spreekt terecht van een verborgen schat: deze kelder heeft monumentale waarde vanwege zijn buitengewone gaafheid en afmetingen. Maar op zichzelf waren waterkelders of cisternen een bekend fenomeen voordat Amsterdam waterleiding kreeg vanaf 1852. Archeologen troffen er reeds vele in de stad aan, meestal zonder dat ze ernaar op zoek waren. Een overzicht uit 2019 meldt circa 100 archeologische resten van cisternen, klein en groot, van de Jordaan tot in de grachtengordel en in het oude centrum. De archeologie laat daarmee al zien hoe groot het belang van regenwater voor de drinkwatervoorziening van Amsterdam was. Het lastige is wel dat de resten vaak alleen bij benadering te dateren zijn.            

Archiefonderzoek door historici kan alleen daarom al een belangrijke aanvulling leveren op het archeologische onderzoek. Sinds enkele jaren richten historici hun aandacht op de geschiedenis van de Amsterdamse drinkwatervoorziening. We weten inmiddels bijvoorbeeld dat het stadsbestuur in 1755 de waterkelders heeft laten inventariseren. Maar liefst 124 regenwaterbakken werden toen gerapporteerd. Verreweg de meeste bevonden zich bij of onder bijzondere gebouwen zoals kerken, stadspoorten, weeshuizen, het West-Indisch Huis en de Waag. Dat is logisch, deze gebouwen beschikten over enorme daken waar veel water vanaf kwam. Het Oude Mannen- en Vrouwengasthuis stuurde een plattegrondje van de vele bakken in en onder het huis mee.

Plattegrond van de regenbakken van het Oude Mannen- en Vrouwengasthuis, met opgave van hoeveel ton water zij konden bevatten, 1755. Stadsarchief Amsterdam, toegang 5039, inv.nr. 799.

Regenwater was dus eeuwenlang een belangrijke, wellicht de belangrijkste bron van drinkwater in Amsterdam. Maar veel dingen weten we nog niet. Was regenwater schoner dan het water dat door ondernemers met waterschuiten uit de Vecht werd gehaald en in de stad verkocht? Hoe en waarvoor gebruikten mensen regenwater, en waarvoor namen ze toch liever water uit de waterschuit of uit de gracht? En wat dronken mensen die te arm waren om een kelder of zelfs een kleine regenbak aan de straat te laten maken en ook te arm om water te kopen?

De Amsterdamse waterkelders waren ook lange tijd het onderwerp van een afschrikwekkend verhaal. In de zeventiende en achttiende eeuw werd geschreven over een waterkelder die als strafinrichting dienst deed. Werkonwilligen zouden worden opgesloten in een kelder die langzaam volstroomde met water, zodat het slachtoffer voortdurend moest pompen om niet te verdrinken. Dit beeld deed het goed in reisbeschrijvingen en andere lichte lectuur over Amsterdam. Het pompen of verzuipen zou bewijzen dat Nederlanders iets bijzonders met water hebben. Het verhaal werd destijds al door de meeste mensen versleten voor een broodje aap.


Verantwoording

De inventarisatie van archeologische resten van cisternen: B.C.S. Levering, Drinking water: liquid gold of the city. An urban archaeological study of the cisterns in early modern Amsterdam (1650-1850), bachelor thesis (Leiden 2019): https://studenttheses.universiteitleiden.nl/access/item%3A2629359/view

Over de inventarisatie van regenwaterbakken in 1755: Filip Van Roosbroeck, ‘The water supply of early modern Amsterdam. A drop in the bucket?’, TSEG. The Low Countries Journal of Social and Economic History 16/2 (2019) 71-91.

Over de verdrinkingscel:  Geert Mak, Een kleine geschiedenis van Amsterdam (Amsterdam/Antwerpen 1995) 180, 348-349.