Vuurwerkverboden, droogte en brandgevaar in de 17e en 18e eeuw

Groots vuurwerk afgestoken in Amsterdam in 1721 ter viering van het einde van de Grote Noordse Oorlog tussen Rusland en Zweden.

Het is naast olliebollen eten en eindeloze oudejaarsconferences misschien wel de bekendste oudejaarstraditie van Nederland: het massaal afsteken van vuurwerk. De afgelopen jaren is de mening over de vuurwerktraditie met Oud en Nieuw echter omgeslagen. De verkoop en het afsteken van knalvuurwerk, zoals rotjes, kanonslagen en knalmatten, is bijvoorbeeld sinds 2020 verboden. Een recente peiling van EenVandaag uit 2021 gaf aan dat onder Nederlanders maar liefst 62 procent van mening is dat het beter is om de traditie omtrent het afsteken consumentenvuurwerk helemaal te verbieden. Dit vooral onder het mom van de overlast, het gevaar voor verlies van ogen en ledematen, maar ook milieuoverwegingen om de schadelijke smog naderhand te voorkomen.

Bij tradities speelt natuurlijk altijd de vraag hoe ver deze terug gaan in de tijd. Met name vanaf de jaren vijftig van de twintigste eeuw werden bepaalde vormen van vuurwerk populair in Nederland. Het ging hierbij vooral om knalvuurwerk uit China dat overkwam uit het voormalig Nederlands-Indië. Het massaal afsteken van vuurwerk met oud en nieuw begon pas in de jaren zeventig.  Als het gaat om het afsteken van vuurwerk bij andere feestelijke gelegenheden, kan deze traditie in Nederland worden teruggevoerd tot de zeventiende eeuw. In 1648 werd bijvoorbeeld groots vuurwerk afgestoken op de Dam ter viering van de Vrede van Münster, die een einde maakt aan de Tachtigjarige Oorlog.

Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw werd het steeds gebruikelijker om bij allerlei festiviteiten verschillende soorten vuurwerk af te steken. Dit werd ook steeds populairder onder burgers die aan de haal gingen met eigen vuurpijlen, voetzoekers en andere soorten vuurwerk.

Dit was overigens vaak niet te koop in winkels zoals nu het geval is. Vuurwerk werd meestal gemaakt door dezelfde fabrieken die ook munitie produceerden. Gewone burgers produceerden waarschijnlijk hun eigen vuurwerk onder het mom van huisvlijt. Hierbij werd onder andere gebruik gemaakt van boeken zoals het in 1678 uitgegeven Pyrotechnia, of Meer dan hondertderleye konstvermakelijcke vuurwerken. Dit was een vertaling van het populaire werk van de Engelse artillerist John Babington dat al in 1635 op de markt kwam. Men kan ervan uitgaan dat niet iedereen hiertoe in staat was, omdat de ingrediënten van vuurwerk niet zomaar voor iedereen verkrijgbaar waren.

Zo snel als het gebruik van vuurwerk opkwam, zo snel probeerden stedelijke overheden het aan banden te leggen. In de vroegmoderne steden speelde het algemene belang van de stadsveiligheid de doorslaggevende rol. De vrees voor het uitbreken van brand, met name tijdens droge perioden wanneer het bluswater schaars was, wordt hierbij het vaakst aangehaald in stedelijke bronnen. 

Het stadsbestuur van Deventer kondigde in oktober 1662 bijvoorbeeld aan dat het vanwege een gebrek aan water verboden werd ‘bij nachte ofte inde avondtstondt, eenige racquetten ofte andere vuerwercken aen te steecken en[de] inde lucht te werpen’. Wie dit wel deed en betrapt werd riskeerde een fikse boete van 25 gulden. In 1702 en 1704 werd eveneens een verbod uitgevaardigd op het afsteken van ‘eenige vuerballen, raeketten ofte vuurpijlen’ en ‘het werpen en smijten … van voetsuegers’, dit ‘tot verhoedinge van brandt’. Dergelijke verboden werden tot in de negentiende eeuw vaak herhaald, wat erop duidt dat het afsteken van vuurwerk op straat een langdurig probleem was. Tijdens een kermis in de nabijgelegen stad Zutphen werd in 1807 bijvoorbeeld een verbod op het afsteken van vuurwerk afgekondigd. Dit vooral omdat de kermislui vreesden dat een verkeerd geplaatste vuurpijl of voetzoeker hun kramen in lichterlaaie konden zetten.

Naast het afsteken van vuurwerk werden tijdens de zeventiende en achttiende eeuw ook andere brandgevaarlijke tradities aan banden gelegd. Een bekend voorbeeld hiervan is het branden van pektonnen bij bepaalde feestelijkheden. Dit werd in 1667 bijvoorbeeld verboden in Zutphen bij de viering van de overwinning op de Engelsen tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. Ook hier werd brandgevaar, met name door het gebrek aan water in de stad, aangevoerd als de voornaamste reden om het ontsteken van pektonnen op straat te verbieden. Uiteindelijk werd dit alleen toegestaan op specifieke openbare plekken, zoals de markten, onder strikte supervisie. Dat dit flink fout kon gaan, was bekend van voorbeelden uit andere steden. De bekende Martinitoren in Groningen brandde bijvoorbeeld in 1577 af doordat er, zonder medeweten van het stadsbestuur, pektonnen waren ontstoken op de toren. Dit ter gelegenheid van de viering van het vertrek van de Spaanse en Waalse troepen na de Pacificatie van Gent.

Een andere traditie, die vaak voorkwam met Oud en Nieuw was het zogeheten glazen schieten, waarbij (wijn)glazen werden kapotgeschoten met musketvuur. Door schutterijen was het daarbij gebruikelijk om het nieuwe jaar in te luiden met musketschoten. Dit werd in Deventer gedurende de droge winter van 1696 echter verboden, evenals in 1727, toen het stadsbestuur van mening was dat ‘na de klocke slag van twaalf langs de straten veel ongebodheden worden gepleegt, door het schieten’. Naast het gevaar voor de openbare orde speelde het loerende brandgevaar weer een belangrijk argument om het afsteken van vuurwerk en andere ontvlambare zaken te verbieden.

Als we de situatie van toen met nu vergelijken dan vallen natuurlijk zowel gelijkenissen als verschillen op. Allereerst valt op dat het verbieden van vuurwerk een lange traditie kent om de openbare veiligheid te bevorderen, al speelde het brandgevaar in vroegmoderne steden een doorslaggevende rol. Tegenwoordig zijn naast de openbare orde ook menselijk – en niet te vergeten dierlijk – leed en milieuvervuiling de voornaamste redenen dat een meerderheid van de Nederlanders een verbod wenst. Het handhaven van dergelijke verboden moet in de vroegmoderne periode echter een stuk moeilijker zijn geweest, omdat er immers geen vaste politiekorpsen zoals nu. Daarnaast lijkt het erop dat de situatie in de zeventiende en achttiende eeuw ongetwijfeld veel chaotischer en gevaarlijker moet zijn geweest. Er was immers geen controle op de afkomst of veiligheid van het afgestoken vuurwerk zoals nu. Bovendien bestonden er geen specifieke dagen en tijden waarop men dit mocht afsteken. De vuurwerkverboden komen in deze periode dan ook op verschillende tijden in het jaar voor. Wat wel opvalt is dat zolang burgers aan de haal gaan met vuurwerk dit een gevaar voor de rest van de samenleving schijnt te vormen. Het afsteken van vuurwerk en het verbieden daarvan kennen dus een traditie die gelijk opgaat qua ouderdom.  

Bronnen:

https://eenvandaag.avrotros.nl/item/nemen-we-definitief-afscheid-van-vuurwerk-tijdens-de-jaarwisseling-het-ritueel-is-kwetsbaar-geworden/#:~:text=Deskundigen%20verschillen%20erover%20van%20mening,van%2051%20procent%20dit%20vond.

https://www.dbnl.org/tekst/babi001pyro02_01/index.php

https://archief.amsterdam/beeldbank/detail/8c13f692-36c2-cf4c-d493-f51b4a6beb6f

Publicatie Dániel Moerman in Bulletin KNOB nu in het Engels

Eerder dit jaar heeft Dániel Moerman een artikel geschreven dat is gepubliceerd in Bulletin KNOB, over de aanleg van regenbakken in vroegmodern Deventer. Dat artikel is nu ook in het Engels te lezen.

Via deze link is het artikel in het Nederlands te lezen: ‘De aanleg van regenbakken in vroegmodern Deventer’

Via deze link is het artikel in het Engels te lezen: ‘The Construction Of Rainwater Cisterns In Early Modern Deventer’

Liever regenwater dan een biertje

In de stad Hoorn konden de kinderen van het Burgerweeshuis die na de maaltijd nog iets wilden drinken, bier krijgen. In februari 1776 sloegen veel kinderen dat aanbod echter af, want ze liepen liever naar de pomp om hun dorst te lessen. De regenten van het weeshuis realiseerden zich dat het bier onsmakelijk was. Door de hoge moutprijzen had de brouwer kennelijk op graan bezuinigd zodat het bier “ten naaste bij de qualiteit van water” had, en bovendien had het te lang op fust gelegen. De kinderen “prefereerde het regenwater direct uyt de pomp”. De pomp op de binnenplaats leverde water uit de ondergrondse waterbakken en dat regenwater was kennelijk een stuk frisser dan het slappe, muffe bier.

Achttiende-eeuwse pomp op de binnenplaats van het weeshuis in Hoorn. Wikimedia Commons, fotograaf: Dqfn13.

In historische literatuur wordt vaak herhaald dat mensen geen water, maar bier dronken vóórdat er waterleiding was. Ook het nieuwe handboek over de Gouden Eeuw vermeldt in de overigens mooie lemma’s over ‘bier’ en ‘voeding’ dat bier de meest gangbare drank in de Republiek was, omdat het kanaal- en rivierwater in de meeste steden te vervuild was om te drinken. In ons onderzoek komen we echter tot de conclusie dat het volstrekt normaal was om water te drinken. Natuurlijk werd er veel bier gedronken, door jong en oud, rijk en arm, man en vrouw. Maar dat stond water drinken niet in de weg.

Een paar voorbeelden uit de hogere regionen van de maatschappij laten al zien dat water niet alleen voor arme mensen was. Toen de Engelse koning George I in juni 1727 via Holland, Utrecht en Overijssel naar de Duitse landen reisde en onderweg onwel werd, werd de oorzaak gezocht in “het te veel eten van een meloen te Delden, en het drinken van eenige glazen kout water”. Kennelijk had niemand er een gevaar in gezien dat de koning water dronk. Normaal gesproken zou het geen nieuwswaarde hebben, maar vanwege het onverwachte, fatale verloop van de ziekte belandde het ditmaal in de krant. Na ziek te zijn doorgereisd, overleed George namelijk snel na aankomst in Osnabrück, zo lezen we in de Europische Mercurius. Voor een andere monarch, koning Lodewijk Napoleon, was een goed glas water op tafel zo belangrijk, dat hij in 1806 dagelijks een vat van het zuiverste water uit Utrecht wenste te ontvangen in zijn toenmalige residentie Huis ten Bosch.

Lodewijk Napoleon, afgebeeld op een snuifdoos, 1806-1810. Rijksmuseum Amsterdam.

Volgens het bovengenoemde cliché genoot bier de voorkeur omdat water onveilig voor de gezondheid zou zijn, terwijl het proces van bier brouwen bacteriën doodt. Het problematische aan die verklaring is dat de bacterie nog helemaal niet bekend was. Pas in de negentiende eeuw werd bekend dat ziekteverwekkers, zoals de cholera- en de tyfusbacterie, zich bij uitstek via water verspreidden. Dit nieuwe inzicht veroorzaakte een algemeen wantrouwen ten aanzien van drinkwater dat er eerder nog niet was. In de vroegmoderne tijd waren de meeste mensen ervan overtuigd dat ziekten ontstonden door het inademen van bedorven lucht, zoals stank, walm en uitwaseming, niet door het drinken van besmet water. De angst voor bedorven lucht (soms miasma’s genoemd) ging terug op ideeën in de Oudheid en behield tot ver in de negentiende eeuw veel aanhang. De aandacht ging dus uit naar het bestrijden en vermijden van alles wat stonk: smerige grachten, zweetlucht, rotte vis enzovoort.  

Water dat helder, reukloos en smaakloos was, werd als prima drinkwater beschouwd. Zulk water was in veel steden beschikbaar, als het niet in de vorm van stromende beken en rivieren was, dan wel als grondwater of regenwater. Mensen hoefden dus niet af te zien van water drinken alleen omdat de grachten en sloten in hun leefomgeving stonken. De uitvinder en ingenieur Simon Stevin beschreef in het begin van de zeventiende eeuw een systeem waarin regenwater onder de grond door zand gezuiverd werd, zodat het water (zo schreef hij expliciet) “beter en gesonder om drincken is”. Vanaf het laatste kwart van de zeventiende eeuw betoogden steeds meer wetenschappelijke teksten zelfs dat het drinken van water van goede kwaliteit bevorderlijk was voor de gezondheid.

Waterkan van porselein, circa 1778-1782. Manufactuur Oud-Loosdrecht. Rijksmuseum Amsterdam.

In weeshuizen werden ongehoorzame kinderen gestraft met opsluiting op water en brood. Ook dit laat zien dat de claim van het onveilige water niet klopt, want het kan toch niet de bedoeling zijn geweest de kinderen met een ziekte te besmetten. De maatregel was bedoeld als ontbering en vernedering. Bierdrinken gaf meer status, want bier was voedzamer, duurder en normaal gesproken smaakvoller.  Ook in het Hoornse Burgerweeshuis sloten de regenten kinderen soms op in een donkere cel op water en brood. Toen Jan Jansz. Verbeek in 1736 het erg bont maakte door opnieuw te proberen weg te lopen, moest hij zijn straf zelfs ten overstaan van de andere kinderen ondergaan: “14 dagen aan tafel in praesentie van alle de kinderen te moeten eeten en drinken broot en water”. Aldus vernederd vormde hij een afschrikwekkend voorbeeld voor de anderen.

In plaats van te herhalen dat mensen geen water, maar bier dronken, kunnen we beter zeggen dat mensen water en bier dronken. De meeste mensen dronken vermoedelijk dagelijks allebei, maar de kwaliteit verschilde per sociale klasse, net als bij bier overigens. Omdat oppervlakte- en regenwater veel goedkoper waren dan bier, zullen de armen vaker water hebben gedronken dan de rijken en zal de groeiende armoede in de achttiende eeuw de waterconsumptie hebben vergroot. Maar water drinken was steeds zo gewoon dat het zelden opgeschreven werd. Dus kent u concrete voorbeelden uit de vroegmoderne tijd van mensen die water dronken, laat het ons weten!  

Milja van Tielhof

Literatuur:

Leen Alberts,‘Dorstlessend water of voedzaam bier?’,Madoc, tijdschrift over de Middeleeuwen 31 /2 (2017) 101-108.

Leen Alberts, Brouwen aan de Eem. Amersfoort, een Stichtse bierstad in de late middeleeuwen (Hilversum 2017).

J.G. Bokma, ‘Het befaamde Utrechtse pompwater’, Oud-Utrecht 72/6 (1999) 125-130.

Europische Mercurius 38 (1727) I, 315-316. https://www.ent1815.nl/e-f/europische-mercurius.

Charles van den Heuvel, ‘De Huysbou’. A reconstruction of an unfinished treatise on architecture, town planning and civil engineering by Simon Stevin (Amsterdam 2005) 244. Met dank aan Dániel Moerman.

Jos van der Lee, Christiaan Schrickx en Boudewijn van Langen, ‘t Wees Huys in Hoorn. Geschiedenis van het Mariaklooster, Burgerweeshuis en Protestants Weeshuis (Hoorn 2009) 537 en 546.

Anne Wegener Sleeswijk, ‘Bier, brouwerij’, en ‘Voeding’, in: W. Frijhof, C. Secretan en A. Nijenhuis-Bescher (red.), De Gouden Eeuw in 500 portretten, taferelen & analyses (Amersfoort 2022) 171-173 en 1450-1454.  

Artikel Milja van Tielhof gepubliceerd in Amstelodamum

Jacob de Wit, Jan Punt en Cornelis Pronk, Het Aalmoesseniers-Weezhuis, te Amsteldam, 1758. Stadsarchief Amsterdam.

Aan de Amsterdamse Prinsengracht stond in de vroegmoderne tijd het Aalmoezeniersweeshuis, waarin 1000 tot 1300 kinderen uit de onderste lagen van de bevolking woonden. Hoe werd ervoor gezorgd dat zij schone kleren hadden? Wie deden de was? En waar kwam het water vandaan in deze stad die bekend stond om zijn chronische gebrek aan schoon water?

Het artikel van onderzoekster Milja van Tielhof beschrijft het wekelijks terugkerende, strikt georganiseerde werkproces waarbij een groot aantal vrouwen en meisjes betrokken was. Het gaat ook in op de geldende normen en opvattingen over wat schoon genoeg was, en de vraag of het weeshuis de eigen normen kon handhaven.

Droogte, drinkwater en sterfte. De Groninger ziekte van 1826

Door Milja van Tielhof

Nederland lijdt onder langdurige droogte. Binnenvaartschippers moeten hun routes en lading aanpassen vanwege extreem lage waterstanden op de rivieren en boeren mogen hun gewassen niet meer met oppervlaktewater beregenen. Consumenten hoeven echter niet te vrezen voor de drinkwatervoorziening, zo stellen de autoriteiten ons gerust. Dit is in het verleden echter wel anders geweest. Droogte kon een humanitaire ramp veroorzaken en dit had te maken met de kwaliteit van het drinkwater (zie over de waterkwaliteit een eerder blog van Marit Steman). De gebruikelijke watervoorziening kwam onder druk te staan. Vooral arme mensen zagen zich genoodzaakt uit te wijken naar water dat ze normaal gesproken nooit zouden gebruiken. We kennen diverse lokale sterftepieken die samenvielen met uitzonderlijke droogte en hitte, zoals in Leiden in 1669, in Alkmaar en andere Noord-Hollandse steden in 1727/1728 en in Groningen in 1826. Er is in al deze gevallen discussie over de aard van de ziekte, zodat moeilijk vast te stellen is waaraan mensen precies overleden. Was het malaria, griep, een bacteriële darminfectie zoals dysenterie, of een gelijktijdig of kort na elkaar optreden van verschillende ziekten? Afhankelijk daarvan verschilt natuurlijk ook het belang van de drinkwaterkwaliteit. We weten van de “Groninger ziekte” van 1826 inmiddels genoeg om aan drinkwater een centrale rol toe te delen.

Het Schuitendiep. Foto Fr.Jul. von Kolkow, 1876-1879,  Groninger Archieven (1785_1361-1). Het Schuitendiep en andere stadsgrachten verspreidden in de zomer een ondraaglijke stank.

Het ging bij de Groninger ziekte van 1826 om een ramp van Bijbelse proporties. Van de circa 28.000 inwoners werd een kwart tot een derde ziek en in een jaar tijd stierven 2844 mensen, ofwel een tiende van de stedelijke bevolking. Wat was hier aan de hand? Recente publicaties maken aannemelijk dat het niet ging om één ziekte, maar om een reeks infectieziekten die elkaar in de loop van het jaar opvolgden, waaronder malaria en griep in de lente, buikgriep in de zomer en verschillende bacteriële darminfecties in de nazomer en herfst. Mensen waren soms nauwelijks hersteld van de ene infectie, of de volgende diende zich aan, wat hun weerstand verzwakte. Verreweg de meeste slachtoffers vielen tussen augustus en november, toen tyfus en dysenterie in snel tempo om zich heen grepen. Dit soort darminfecties verspreidt zich via water dat in contact is geweest met uitwerpselen van zieken. Inwoners van arme wijken in Groningen gebruikten in 1826 grachtenwater om voedsel in te bereiden. Ze moesten wel, want er was een schreeuwend gebrek aan drinkwater. Door het uitzonderlijk droge voorjaar en de hete zomer waren waterputten droog komen te staan en was de openbare watervoorziening volledig ingestort. Veel mensen hadden geen eigen putten of regenbakken en gebruikten dus water uit het Boterdiep, het Schuitendiep of andere stinkende grachten.

Drekmenners met drekkar of faecaalwagen bij de Oosterpoort in Groningen. Foto J.G. Kramer, 1870, Groninger Archieven (1785_13586). De drekstoep lag vlakbij deze stadspoort.

Er was een bijzondere reden waarom het grachtenwater funest was voor de volksgezondheid. Groningen had als eerste stad in Nederland een tonnenstelsel voor het ophalen van fecaliën. De drekophalers leegden de tonnen met uitwerpselen in een kar en brachten ze naar de zogenaamde drekstoep, net buiten de stad, bij de Oosterpoort. Hier werden ze, samen met ander afval, gecomposteerd om te worden gebruikt als mest op afgeveend land. Op zichzelf een prima ‘circulair’ systeem, maar de uitvoering liet te wensen over. Het mestvocht uit de compostputten werd niet opgevangen, maar liep gewoon weg. Het sijpelde in een kanaaltje dat uitkwam in het Winschoterdiep, vlak voor het punt waar dit water de stad binnenstroomde. Vervolgens stroomde het besmette water van het Winschoterdiep onder andere via het Schuitendiep, de Turfsingel en het Boterdiep de stad door.

Spotprent met fecaliënwagen, 1900-1901. De mannen legen tonnen in de kar en voorbijgangers vluchten voor de stank. Groninger Archieven 1173_0074_0012.

De grachten werden “superspreaders” van tyfus, buiktyfus en dysenterie. Zoals Londen in 1854 zijn pomp in Broad Street had, van waaruit de cholerabacterie zich verspreidde, had Groningen in 1826 zijn drekstoep bij de Oosterpoort van waaruit allerhande bacteriën hun reis door de stad begonnen. Het schreeuwend gebrek aan drinkwater als gevolg van de extreme droogte deed de rest.


Literatuur

Ulco Kooystra, ‘Een ramp voor de stad maar ook een zegen voor de mensheid’, Historisch Jaarboek Groningen (2018) 70-87.

Ulco Kooystra, De scheikunstenaar. De innovatieve wetenschap van de Groningse hoogleraar Sibrand Stratingh Ez. 1785-1841 (Hilversum 2021).

Reinwaterkelders, een oude noodvoorziening onder de grond

Door Margriet de Roever

Het waren geen perioden van droogten, die het stadsbestuur van Amsterdam eind achttiende eeuw noopten om een serie grote waterkelders aan te leggen. Maar de maatregel had wel te maken met het weer, namelijk vorst. In strenge winters ontstond gebrek aan drinkwater, omdat het beschikbare water dan bevroor. Daarom kan het voor het project ‘Omgaan met droogte’ interessant zijn meer over deze ‘reinwaterkelders’ te vernemen. Bij de klimaatverandering van tegenwoordig speelt ook water een rol. Een fenomeen als deze oude voorraadkelders zou daarbij mogelijk nog van nut kunnen zijn.

Schaarste bij vorst

Voor de waterleiding was aangelegd (in 1853) stagneerde de drinkwatervoorziening bij vorst met enige regelmaat. Het water in enkele (bovengronds) publieke waterbakken, in de waterschuiten waar bewoners een emmertje konden halen, en in de regenbakken en -tonnen bij het huis, was dan bevroren. Loshakken en ontdooien was nauwelijks een optie, daar viel niet tegenop te stoken. Alleen wie zich de luxe van een waterkelder onder zijn huis kon veroorloven, zal nog over vloeibaar water hebben beschikt. Nog onlangs kwamen er, bij de verbouwing van het Betty Asfalt Complex in Amsterdam, onder het voormalige huis van de familie Bicker twee te voorschijn (zie ook de blog van Milja van Tielhof hierover).

In de buitengewoon strenge winter van 1740, vooral in de eerste maanden, was dit weer pijnlijk duidelijk geworden. Toch was het niet de vorst die de aanleg van de kelders een duwtje in de rug gaf, maar een belegering. Dat gebeurde toen in 1787 een Pruisisch leger het land binnenviel en stad na stad veroverde. Amsterdam capituleerde na een dagenlang beleg op de 10e oktober. De schuiten die vanuit de bovenloop van de Vecht het drinkwater aanvoerden, hadden tijdens de belegering de stad niet kunnen bereiken. Plannen om watervoorraden aan te leggen waren er toen al wel. In 1783 had de aanvoer ook stilgelegen, wat de bierbrouwers, die voor de bierproductie schoon water nodig hadden, ernstig in de problemen had gebracht. Een van hen kwam toen met een voorstel om 52 opslagkelders van c. 4000 hectoliter te realiseren. Dat was wel erg ambitieus, maar stadsingenieur Abraham van der Hart nam het idee voor dit soort opslag wel over. Hij kwam met een bescheidener opzet voor 16 kelders voor 100.000 tot 200.000 liter (100 tot 200 m3). Met de bouw werd in september 1789 begonnen.

In vier trajecten kwamen er 24 tot stand. Ze liggen circa 6 à 7 m. diep, tot 1 m. onder het maaiveld. De eerste zes kwamen op de Jodenhoutmarkt (nu de noordkant van het Waterlooplein), de Herenmarkt, de Noordermarkt, de Nieuwmarkt, bij de Zaagpoort (Marnixstraat bij de Nieuwe Gieterstraat) en bij de Eilandskerk op het Bickerseiland. Het jaar daarop volgden er zes op de Westermarkt, de Botermarkt (nu het Rembrandtplein), het Amstelveld, de Kadijk, de Vleeshal in de Nes (nu het pleintje bij de Brakke Grond) en op het Oudekerksplein. Het volgende traject omvatte kelders weer op de Jodenhoutmarkt, aan de Schippersgracht, bij de Scharrebiersluis, op de Westermarkt, bij de Passeerdersgracht en weer op de Herenmarkt. Het vierde project bestond in 1794 uit kelders op het Leidseplein, aan het Amstelgrachtje (thans Frederiksplein), op het Weesperplein, op de Stromarkt en bezijden het stadhuis. Tien jaar later, in 1806,  kwamen er nog vier bij: in de Plantage bij de Hortus, op de Nieuwmarkt, aan de Schans ten zuiden van de Leidsepoort en één op het Weesperplein.

Kaart van Amsterdam met de locaties en het bouwjaar van waterkelders. (Bron: Dossier Jaap Visser)

De waterleiding

De voorziening in tijden van nood was zo opgelost, maar de watervoorziening zelf werd steeds problematischer. Decennia lang volgde het ene na het andere plan om die te verbeteren. Zelfs Napoleon, die Amsterdam tot de derde stad van zijn keizerrijk bombardeerde, heeft zich er bij zijn bezoek aan de stad in 1811 mee bemoeid. Hij adviseerde om het water via buizen aan te voeren, wat werd uitgewerkt door de waterstaatkundigen M.A. Blanken Jzn en B.H. Goudriaan, maar door zijn veldtocht naar Rusland vond het project geen doorgang.

In 1849 nam de directeur der Stads-Waterwerken Jan van Maurik de hele drinkwatervoorziening nog eens onder de loep. Bij de plannen was aanvoer via leidingen nog steeds een optie, en dat zou enkele jaren later dankzij particulier initiatief worden verwezenlijkt. Het was vooral de eerste Wereldtentoonstelling, de Great Exhibition of the Works of Industry of All Nations, die in 1851 in Londen werd gehouden, die een enorme stoot gaf aan dit soort technische vernieuwingen. De chemicus en hoogleraar aan het Atheneum Illustre in Amsterdam E.H. von Baumhauer heeft die expositie bezocht. Rond die tijd maakte hij een scheikundige analyse van het Amsterdamse drinkwater. De populaire romanschrijver en politicus Jacob van Lennep had al in 1849 in Londen de spiksplinternieuwe waterleiding bekeken, die het jaar daarvoor was aangelegd. Van Lennep wist in de jaren die volgden een ondergronds leidingnet te realiseren vanuit de duinen naar de stad, dat in december 1853 operationeel werd. Hiermee werd voortaan ook de reinwaterkelders gevuld.

Het einde van de kelders

De stelling van Amsterdam, die tussen 1880 en 1914 werd aangelegd, betekende het einde van de waterkelders. Aan het begin van de twintigste eeuw werd bij de Nieuwe Meer een zuiveringsinstallatie gebouwd, die in tijden van nood grondwater kon bewerken tot drinkwater. Voor de opslag werden twee waterkelders in het project opgenomen. De kelders in de stad werden daarna aan hun lot overgelaten. Alleen toen de Tweede Wereldoorlog naderde, werd er nog een keer naar gekeken, niet als voorraadkelder, maar om ze om te bouwen tot schuilkelders. Dat bleek echter niet haalbaar. Tijdens de bezetting is de installatie bij de Nieuwe Meer in 1944 nog wel operationeel gemaakt, maar deze is niet meer in gebruik genomen. In 1950 werd het geheel een zendstation.

De kelders in de stad raakten in de vergetelheid. Na de oorlog konden alleen enkele oudere werknemers van de afdeling Onderhoud Gebouwen en Gemeente Werkplaatsen (OGW) van de dienst Publieke Werken (PW), zich nog herinneren dat ze er waren. Maar bij de aanleg van de metro kwam er weer aandacht voor; de kelders in het uitgezette traject zijn toen geruimd. De directeur van OGW, ir. J.B. Visser stelde toen een uitgebreid onderzoek in naar deze oude noodvoorziening onder de grond. Hij publiceerde dat in het blad van PW Werk in uitvoering. Daarnaast stelde hij een overzichtsdossier samen met de bewerkte tekst van dit artikel, foto’s, kopieën van belangrijke archiefstukken en een lijst van de kelders met bijzonderheden zoals de inhoud, of hij ze had geïnspecteerd en wat OGW er mee deed. Dat waren er nog 28 aan de openbare weg en 5 op binnenterreinen. Enkele heeft hij er weer laten vullen met water, terwijl andere tegen instortingsgevaar werden volgestort met puin. De pompen boven de kelders waren toen allemaal verdwenen, alleen op de Noordermarkt, het Jonas Daniel Meyer- en het Rapenburgerplein trof hij nog een enkel voetstuk aan, of een plaat die de schacht afdekte waarmee de waterkelders werden gevuld.

De kelders zijn echter nooit systematisch geruimd. Een gevaar voor de openbare ruimte vormen zij niet, wellicht omdat Visser stelde: ‘De solide bouwwijze, de zorgvuldige afwerking en het feit, dat de kelders geheel ondergronds liggen, hebben van begin af aan verval voorkomen.’ Of nog bekend is hoeveel er tegenwoordig onder het maaiveld liggen, zou ik niet kunnen zeggen. De afdeling OGW bestaat niet meer. Maar wie weet komt er nog eens een enthousiasteling zoals Jaap Visser die de zaak weer oppakt. Het zou misschien denkbaar zijn dat, bij de huidige problemen met grote hoeveelheden neerslag in zeer korte tijd, de kelders weer een rol zouden kunnen spelen; in een nieuwe functie als tijdelijke waterberging bij overvloedige regenval. Een bestemming die Visser zeker zou hebben gewaardeerd.


Literatuur

‘Archeologische vondst 3 meter onder NAP. Nieuwezijds Voorburgwal 282 – Amsterdam’, Stadsherstel Amsterdam, jaarverslag 2021, p. 50-51.

H.J. van der Beek, E.H. von Baumhauer. Zijn betekenis voor de wetenschap en de Nederlandse economie (Leiden 1963), proefschrift UvA.

J.A. Groen jr., Een cent per emmer. Het Amsterdamse drinkwater door de eeuwen heen (Amsterdam, Gemeentewaterleidingen, 1978).

J.A. Groen jr., ‘Van het manpad naar de hoofdstad. 125 jaar duinwaterleiding in Amsterdam’ Ons Amsterdam 30 (1978), p. 318-323.

100 Jaar waterleiding. Extract uit de archieven der Gemeentewaterleidingen-Amsterdam. (Amsterdam 1953).

G.A. Lindeboom, ‘Over de drinkwatervoorziening van Nederland’ Stemmen des tijds. Maandblad voor christendom en cultuur 30 (maart 1941), p. 222-227.

M. Mathijsen, Jacob van Lennep, een bezielde schavuit (Amsterdam 2018).

J. van Maurik (bew. P.P. de Baar), Versch drinkwater voor de hoofdstad. Rapport over de onderscheidene middelen welke de stad Amsterdam van Versch drinkwater zullen kunnen voorzien, 1849 (Amsterdam, Gemeentewaterleidingen, 1993).

J.B. Visser, ‘Stedelijke verswaterbakken onder de openbare weg … thans nog slechts obstakels in de  grond …’ Werk in uitvoering, maandblad van de dienst Publieke Werken Amsterdam 22 (maart 1972), p. 294-300.

J.B. Visser, Stedelijke verswaterbakken, ongepagineerd dossier, 1973, Stadsarchief Amsterdam, toegangsnr. 15030, bibliotheek, inv. nr. 108844, oude signatuur R 1015.

Verrassend theater. Achter de coulissen van het Betty Asfalt complex Erfgoed van de Week | Verrassend theater – Gemeente Amsterdam 5 augustus 2021 (internet)

Op pad in ondergronds Amsterdam

Door Milja van Tielhof

Als projectteam laten wij ons graag inspireren door overblijfselen in de stad, zoals waterputten en fonteinen. Deze keer bezochten we waterkelders op twee locaties in Amsterdam, fraaie voorbeelden van ‘drinkwater micro-infrastructuur’ onder de grond. Door omstandigheden zijn ze tijdelijk toegankelijk en die kans grepen we aan. De eerste locatie was Nieuwezijds Voorburgwal 282/282a, beter bekend als het Betty Asfalt theater, nu in verbouwing. In de zeventiende eeuw stonden hier twee huizen, die circa 1725 samengevoegd werden tot een grote patriciërswoning. De tweede locatie was het Amsterdam Museum of vroegere Burgerweeshuis. Dit complex strekt zich uit tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en de Kalverstraat en is eveneens in verbouwing.

De achttiende-eeuwse waterkelder met twee compartimenten. Foto: Stadsherstel Amsterdam / Jan Reinier van der Vliet.

Wij kwamen naar de Nieuwezijds Voorburgwal 282/282a vanwege een waterkelder uit de achttiende eeuw die een jaar geleden toevallig werd ontdekt onder het achterhuis, op ongeveer -3 NAP (zie een blog van mei 2021 hierover). De kelder was toen lek, maar is inmiddels leeggepompt en waterdicht. Via een ladder daalden wij af in deze authentieke achttiende-eeuwse ‘regenbak’, zoals waterkelders toen genoemd werden: een ware historische sensatie. De kelder is in prachtige staat, inclusief scheidingsmuur tussen de twee compartimenten, fraaie okergele betegeling die de waterdichtheid van de muren vergrootte en een loden pijp waarlangs het water kon worden opgepompt. De compartimenten bleken samen groot genoeg om er met het hele team in te kunnen. Eenmaal op de bodem ervaar je de geweldige hoogte.

We bezochten de waterkelder op uitnodiging van Kees Benschop van Stadsherstel Amsterdam, de organisatie die bezig is met een grondige renovatie van het hele pand. Hij wist veel interessants te vertellen, zoals het feit dat in het souterrain van het voorhuis resten waren aangetroffen van drie oudere, kleine regenbakken. Deze bakken lagen dicht achter de voorgevel, mogelijk omdat de voorraad regenwater dan makkelijk aangevuld kon worden met water uit de Vecht dat met schuiten tot aan de voordeur kon worden gebracht. De Voorburgwal was immers nog open water. De constructie van de veel grotere waterkelder in het achterhuis rond 1725 maakte deel uit van een uitgebreide verbouwing waarbij ook het dak werd vernieuwd. Het was ons in historische teksten ook al opgevallen dat cisternebouw vaak samenging met een nieuw dak. Het dak bepaalde immers hoeveel regenwater kon worden opgevangen. Ook het bijvullen van regenwaterreservoirs met rivierwater hadden wij inmiddels als praktijk al eens aangetroffen.

Het Burgerweeshuis, getekend door Floris Balthasarz van Berckenrode rond 1631. Korte tijd later verdwenen de bleekvelden, toen de jongensplaats (links) en de meisjesplaats (rechts) bestraat werden. Eronder werden grote regenbakken gebouwd. Rechts de nog ongedempte Nieuwezijds Voorburgwal. Foto: Stadsarchief Amsterdam.

De tweede locatie, het Amsterdam Museum of vroegere Burgerweeshuis, was niet minder interessant. Het museum is gesloten vanwege een ingrijpende verbouwing, maar was in de persoon van Maryssa Otte desondanks bereid ons te ontvangen. De sluiting bleek voor ons voordelig: niet alleen waren we de enige bezoekers op de anders vrij drukke binnenplaatsen, ook was het toegangsluik van een waterkelder voor ons open gezet. Het Burgerweeshuis heeft wel tien regenbakken uit verschillende momenten in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw. Wij kregen toegang tot de kelder die in de zomer van 1692 op de meisjesplaats is gebouwd en die uit zes compartimenten bestaat. In de tijd zelf is daarvan een tekening gemaakt. We konden hier met twee personen tegelijk in afdalen, ook nu weer via een ladder. Het was mooi om te constateren dat de situatie perfect aansloot op de zeventiende-eeuwse tekening, en interessant om het verschil met de eerder bezochte kelder te zien.

Ontwerptekening van de waterkelder met zes compartimenten, 1692. Stadsarchief Amsterdam, Oud-archief van het Burgerweeshuis, inv.nr. 138A, scan 237.

Behalve de regenbak op de meisjesplaats bezochten we de onderaardse Gewelfkamer, die ontstaan is door de overkluizing van een dwars door het weeshuiscomplex lopende sloot. Deze Begijnensloot werd in de zeventiende eeuw overkluisd, dus met een gewelf overdekt, en in de achttiende eeuw een meter verdiept, en ten slotte in de negentiende eeuw gedempt. De overkluizing met grote bogen is prachtig bewaard. De constructie was indertijd een antwoord op de stankoverlast, want de sloot werd gebruikt als afvoerkanaal van allerlei vuiligheid zoals schrob- en waswater. Hoogstwaarschijnlijk loosden zelfs secreten van het weeshuis erop. De rest van de voormalige Begijnensloot biedt nu plaats aan moderne installaties zoals klimaatbeheersing. Weer boven gekomen, bekeken we ten slotte nog de pomp op de jongensplaats met zijn twee kranen, een voor grondwater en een voor regenwater. Een bekend fenomeen in de vroegmoderne tijd, dat ons eraan herinnert dat schoon zoetwater een schaars goed was.

Het team bij de waterpomp met kranen voor grondwater en voor regenwater. Foto: Peter Jacobs.

Het Amsterdam Museum heeft een enorme opgave aan de renovatie en zal over een paar jaar geheel hernieuwd zijn deuren weer openen. De regenbakken zullen niet toegankelijk worden, maar het is wel erg leuk om te weten dat ze bij hoosbuien nog altijd gebruikt worden voor de opvang van overtollig regenwater. Zo dragen ze bij aan projecten om tijdens klimaatverandering Amsterdam ‘Rainproof’ te maken en te houden. De mooie gewelven over de gedempte Begijnensloot zullen wel zichtbaar worden gemaakt voor het publiek.


Verder lezen:

De waterkwaliteit van de toekomst

Door Marit Steman

In een vorige blog vertelden twee experts over de waterkwaliteit van nu, Diederik van den Molen, beleidsmedewerker bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en Wendela Slok, jurist bij Vewin. Zij legden uit welke bedreigingen er zijn voor ons oppervlakte- en drinkwater. Maar hoe kunnen deze problemen worden opgelost, en hoe zien zij de toekomst?

Lastigste problemen

Allerlei problemen met de waterkwaliteit zijn in de vorige blog belicht, maar wat vinden de experts zelf de moeilijkste? Wendela geeft aan dat het lastig is dat er steeds weer uitgelegd moet worden waarom schone bronnen voor drinkwater van belang zijn, en dat drinkwaterbedrijven echt niet zomaar verplaatst kunnen worden. Ook noemt zij de steeds drukker wordende ondergrond, er komen steeds meer leidingen te liggen. Diederik vertelt dat het soms lastig is om alle partijen samen te laten werken om de problemen op te lossen, maar dit “vindt [hij] vooral een uitdaging.” “Je moet in een situatie komen dat iedereen het eens is over het doel waar je naar toe werkt, en dat iedereen een steentje bijdraagt,” legt hij uit.

De Omgevingswet

De nieuwe Omgevingswet moet veel van e wetten rondom water overnemen en integreren, en hopelijk daarmee problemen oplossen of voorkomen. De wet zelf lijkt echter ook voor problemen te kunnen zorgen. Waar voorheen de verwoording was dat men niet mag lozen tenzij er een vergunning is, staat er nu dat lozen mag, tenzij het expliciet verboden is. Het lijkt nu dus alsof elke stof die niet geloosd mag worden, apart in de wet genoemd moet worden. Wendela beaamt dat als er een nieuwe stof opduikt die niet was voorzien, er moeilijk gehandhaafd kan worden. Diederik zegt dat ze bij de overheid “goed gaan volgen hoe het uitpakt.” In het recente boek Over waterkwaliteit gesproken… – waar beide experts en ook Petra van Dam aan hebben bijgedragen – wordt uitgebreid hierop ingegaan.

Ook het toezicht op de lozingen en de stoffen die wel of niet in het oppervlaktewater terecht mogen komen komt bij een andere partij te liggen. Eerst waren de provincies en waterschappen hiervoor verantwoordelijk, nu de gemeenten. Diederik: “Ik heb vertrouwen in de creativiteit van lokale overheden en bedrijven om zelf problemen op te lossen als zij de ruimte krijgen om dat ook te doen.” Hij vertelt ook dat ze vanuit het Rijk bezig zijn om kennis aan andere partijen over te dragen. Wendela denkt echter dat gemeentes al te veel op hun dak hebben. “Een arme gemeente zal minder aan het milieu doen en industrie gemakkelijker binnenhalen dan een [nationale] overheid die meer afstand heeft,” legt ze uit, “Bovendien hebben provincies, Rijkswaterstaat, en de waterschappen meer een totaal plaatje.”

Oplossingen

Oplossingen kunnen natuurlijk op verschillende niveaus in de samenleving ontstaan. Hoe zien Wendela en Diederik de rol van de overheid, waterschappen, bedrijven en de mensen zelf?

Overheid

De rijksoverheid heeft de systeemverantwoordelijkheid, legt Diederik uit. De rijksoverheid vertaalt Europees beleid naar nationaal beleid en stelt heldere kaders voor waterbeheerders. Wendela ziet ook deze functies als de rol van de overheid. Bovendien, zoals ook al genoemd in de vorige blog, zou de overheid de verschillende kwaliteitsnormen beter op elkaar af kunnen stemmen, en strengere eisen kunnen stellen.

Waterschappen en bedrijven

De waterschappen hebben aangegeven de vervuiling graag aan te pakken bij de bron, ook Diederik beaamt dat problemen voorkomen erg belangrijk is. Hij vertelt dat er al veel projecten lopen bij de waterschappen, onder meer onderzoek naar nieuwe technieken voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater. Hierbij moeten wel keuzes gemaakt worden, legt Diederik uit, omdat die technieken soms veel energie vergen en ze ook graag naar een energieneutrale situatie toe willen. Wendela benadrukt nogmaals de behoefte aan betere afstelling van normen voor oppervlaktewater, die gehandhaafd worden door de waterschappen, en voor het oppervlaktewater dat drinkwaterbedrijven mogen innemen. Ook voor de rol van bedrijven is die gelijktrekking van de normen belangrijk. Diederik geeft aan dat er uitgegaan wordt van de maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar Wendela denkt dat bedrijven toch wat meer controle vanuit de overheid nodig hebben.

Wat kan je zelf doen?

Wendela noemt het zorgen voor minder tegels in de tuin – zodat water beter door de grond wordt opgenomen – als een van de belangrijkste dingen die mensen zelf kunnen doen. Diederik raadt ook aan om op te letten wat je koopt en vaker tweedehands of duurzame spullen aan te schaffen. Er zijn gelukkig dus best wat dingen die je zelf kan doen om een handje te helpen. Opvallend is dat beide regentonnen noemen als een manier waarop water beter opgevangen kan worden – dus toch een klein beetje terug naar vroeger.

Symposium report: Urban Past, Urban Future? Sustainable Drinking Water in Dutch Cities, 1500-1900

On Thursday the 17th of March 2022, the project team held its first symposium, hosted as a special event at the Environmental Humanities Center. In a hybrid format, with more than 30 attendants combined in person and on Zoom, several team members presented preliminary results.

The project team at the symposium. From left to right: Milja van Tielhof, Bob Pierik, Marit Steman, Dániel Moerman, Bart Levering, and Petra van Dam. (Photo: Medha Guru)

Petra van Dam introduced the project, explaining the resilience of a city to drought as an important subject. She explained that the project focuses on the history of urban fresh water, rather than just drinking water. People used fresh water for domestic purposes as well and had multiple water sources; groundwater was accessed through wells and pumps, rainwater was harvested from roofs into cisterns. She then raised the questions that the symposium would address: Who had access to which water? In particular, how did poor people have access to good water sources like wells in the eastern Netherlands and cisterns in the western Netherlands? How was water harvested, stored, and distributed? What happened in times of drought?

The documentary Our drinking water – Is the world drying up? connects very well to the message of the symposium that the history of drinking water and in particular also the micro-infrastructures of the past inspire politicians, engineers, and other policy makers to think about water in the future and how to preserve our precious underground water reserves. The documentary covers ancient underground galleries in Malta and Inca technologies and canals, both for harvesting rain- and river-water and feeding underground aquifers. The historical part starts at 26:46.

The first presentation of the symposium by Milja van Tielhof took an Amsterdam orphanage as a case study for households’ strategies of coping with water scarcity between 1666 and 1790. She discussed which kind of water was used for what purposes, and the strategies the orphanage used in times of drought. After a lively discussion with questions from both the in-person and online participants and a short interval, Bart Levering presented on the archaeological side of the project. He explained what types of micro-water-infrastructure are found in the early-modern cities of Hoorn, Enkhuizen, and Medemblik. The symposium was closed by Dániel Moerman, who told the history of well-communities in Deventer between 1500 and 1850. Focusing on the socio-political aspects, he explained how risk-mitigating strategies to drought were developed over time.

You can find the PowerPoint of the symposium here: