Artikel Milja van Tielhof gepubliceerd in Amstelodamum

Jacob de Wit, Jan Punt en Cornelis Pronk, Het Aalmoesseniers-Weezhuis, te Amsteldam, 1758. Stadsarchief Amsterdam.

Aan de Amsterdamse Prinsengracht stond in de vroegmoderne tijd het Aalmoezeniersweeshuis, waarin 1000 tot 1300 kinderen uit de onderste lagen van de bevolking woonden. Hoe werd ervoor gezorgd dat zij schone kleren hadden? Wie deden de was? En waar kwam het water vandaan in deze stad die bekend stond om zijn chronische gebrek aan schoon water?

Het artikel van onderzoekster Milja van Tielhof beschrijft het wekelijks terugkerende, strikt georganiseerde werkproces waarbij een groot aantal vrouwen en meisjes betrokken was. Het gaat ook in op de geldende normen en opvattingen over wat schoon genoeg was, en de vraag of het weeshuis de eigen normen kon handhaven.

Droogte, drinkwater en sterfte. De Groninger ziekte van 1826

Door Milja van Tielhof

Nederland lijdt onder langdurige droogte. Binnenvaartschippers moeten hun routes en lading aanpassen vanwege extreem lage waterstanden op de rivieren en boeren mogen hun gewassen niet meer met oppervlaktewater beregenen. Consumenten hoeven echter niet te vrezen voor de drinkwatervoorziening, zo stellen de autoriteiten ons gerust. Dit is in het verleden echter wel anders geweest. Droogte kon een humanitaire ramp veroorzaken en dit had te maken met de kwaliteit van het drinkwater (zie over de waterkwaliteit een eerder blog van Marit Steman). De gebruikelijke watervoorziening kwam onder druk te staan. Vooral arme mensen zagen zich genoodzaakt uit te wijken naar water dat ze normaal gesproken nooit zouden gebruiken. We kennen diverse lokale sterftepieken die samenvielen met uitzonderlijke droogte en hitte, zoals in Leiden in 1669, in Alkmaar en andere Noord-Hollandse steden in 1727/1728 en in Groningen in 1826. Er is in al deze gevallen discussie over de aard van de ziekte, zodat moeilijk vast te stellen is waaraan mensen precies overleden. Was het malaria, griep, een bacteriële darminfectie zoals dysenterie, of een gelijktijdig of kort na elkaar optreden van verschillende ziekten? Afhankelijk daarvan verschilt natuurlijk ook het belang van de drinkwaterkwaliteit. We weten van de “Groninger ziekte” van 1826 inmiddels genoeg om aan drinkwater een centrale rol toe te delen.

Het Schuitendiep. Foto Fr.Jul. von Kolkow, 1876-1879,  Groninger Archieven (1785_1361-1). Het Schuitendiep en andere stadsgrachten verspreidden in de zomer een ondraaglijke stank.

Het ging bij de Groninger ziekte van 1826 om een ramp van Bijbelse proporties. Van de circa 28.000 inwoners werd een kwart tot een derde ziek en in een jaar tijd stierven 2844 mensen, ofwel een tiende van de stedelijke bevolking. Wat was hier aan de hand? Recente publicaties maken aannemelijk dat het niet ging om één ziekte, maar om een reeks infectieziekten die elkaar in de loop van het jaar opvolgden, waaronder malaria en griep in de lente, buikgriep in de zomer en verschillende bacteriële darminfecties in de nazomer en herfst. Mensen waren soms nauwelijks hersteld van de ene infectie, of de volgende diende zich aan, wat hun weerstand verzwakte. Verreweg de meeste slachtoffers vielen tussen augustus en november, toen tyfus en dysenterie in snel tempo om zich heen grepen. Dit soort darminfecties verspreidt zich via water dat in contact is geweest met uitwerpselen van zieken. Inwoners van arme wijken in Groningen gebruikten in 1826 grachtenwater om voedsel in te bereiden. Ze moesten wel, want er was een schreeuwend gebrek aan drinkwater. Door het uitzonderlijk droge voorjaar en de hete zomer waren waterputten droog komen te staan en was de openbare watervoorziening volledig ingestort. Veel mensen hadden geen eigen putten of regenbakken en gebruikten dus water uit het Boterdiep, het Schuitendiep of andere stinkende grachten.

Drekmenners met drekkar of faecaalwagen bij de Oosterpoort in Groningen. Foto J.G. Kramer, 1870, Groninger Archieven (1785_13586). De drekstoep lag vlakbij deze stadspoort.

Er was een bijzondere reden waarom het grachtenwater funest was voor de volksgezondheid. Groningen had als eerste stad in Nederland een tonnenstelsel voor het ophalen van fecaliën. De drekophalers leegden de tonnen met uitwerpselen in een kar en brachten ze naar de zogenaamde drekstoep, net buiten de stad, bij de Oosterpoort. Hier werden ze, samen met ander afval, gecomposteerd om te worden gebruikt als mest op afgeveend land. Op zichzelf een prima ‘circulair’ systeem, maar de uitvoering liet te wensen over. Het mestvocht uit de compostputten werd niet opgevangen, maar liep gewoon weg. Het sijpelde in een kanaaltje dat uitkwam in het Winschoterdiep, vlak voor het punt waar dit water de stad binnenstroomde. Vervolgens stroomde het besmette water van het Winschoterdiep onder andere via het Schuitendiep, de Turfsingel en het Boterdiep de stad door.

Spotprent met fecaliënwagen, 1900-1901. De mannen legen tonnen in de kar en voorbijgangers vluchten voor de stank. Groninger Archieven 1173_0074_0012.

De grachten werden “superspreaders” van tyfus, buiktyfus en dysenterie. Zoals Londen in 1854 zijn pomp in Broad Street had, van waaruit de cholerabacterie zich verspreidde, had Groningen in 1826 zijn drekstoep bij de Oosterpoort van waaruit allerhande bacteriën hun reis door de stad begonnen. Het schreeuwend gebrek aan drinkwater als gevolg van de extreme droogte deed de rest.


Literatuur

Ulco Kooystra, ‘Een ramp voor de stad maar ook een zegen voor de mensheid’, Historisch Jaarboek Groningen (2018) 70-87.

Ulco Kooystra, De scheikunstenaar. De innovatieve wetenschap van de Groningse hoogleraar Sibrand Stratingh Ez. 1785-1841 (Hilversum 2021).

Reinwaterkelders, een oude noodvoorziening onder de grond

Door Margriet de Roever

Het waren geen perioden van droogten, die het stadsbestuur van Amsterdam eind achttiende eeuw noopten om een serie grote waterkelders aan te leggen. Maar de maatregel had wel te maken met het weer, namelijk vorst. In strenge winters ontstond gebrek aan drinkwater, omdat het beschikbare water dan bevroor. Daarom kan het voor het project ‘Omgaan met droogte’ interessant zijn meer over deze ‘reinwaterkelders’ te vernemen. Bij de klimaatverandering van tegenwoordig speelt ook water een rol. Een fenomeen als deze oude voorraadkelders zou daarbij mogelijk nog van nut kunnen zijn.

Schaarste bij vorst

Voor de waterleiding was aangelegd (in 1853) stagneerde de drinkwatervoorziening bij vorst met enige regelmaat. Het water in enkele (bovengronds) publieke waterbakken, in de waterschuiten waar bewoners een emmertje konden halen, en in de regenbakken en -tonnen bij het huis, was dan bevroren. Loshakken en ontdooien was nauwelijks een optie, daar viel niet tegenop te stoken. Alleen wie zich de luxe van een waterkelder onder zijn huis kon veroorloven, zal nog over vloeibaar water hebben beschikt. Nog onlangs kwamen er, bij de verbouwing van het Betty Asfalt Complex in Amsterdam, onder het voormalige huis van de familie Bicker twee te voorschijn (zie ook de blog van Milja van Tielhof hierover).

In de buitengewoon strenge winter van 1740, vooral in de eerste maanden, was dit weer pijnlijk duidelijk geworden. Toch was het niet de vorst die de aanleg van de kelders een duwtje in de rug gaf, maar een belegering. Dat gebeurde toen in 1787 een Pruisisch leger het land binnenviel en stad na stad veroverde. Amsterdam capituleerde na een dagenlang beleg op de 10e oktober. De schuiten die vanuit de bovenloop van de Vecht het drinkwater aanvoerden, hadden tijdens de belegering de stad niet kunnen bereiken. Plannen om watervoorraden aan te leggen waren er toen al wel. In 1783 had de aanvoer ook stilgelegen, wat de bierbrouwers, die voor de bierproductie schoon water nodig hadden, ernstig in de problemen had gebracht. Een van hen kwam toen met een voorstel om 52 opslagkelders van c. 4000 hectoliter te realiseren. Dat was wel erg ambitieus, maar stadsingenieur Abraham van der Hart nam het idee voor dit soort opslag wel over. Hij kwam met een bescheidener opzet voor 16 kelders voor 100.000 tot 200.000 liter (100 tot 200 m3). Met de bouw werd in september 1789 begonnen.

In vier trajecten kwamen er 24 tot stand. Ze liggen circa 6 à 7 m. diep, tot 1 m. onder het maaiveld. De eerste zes kwamen op de Jodenhoutmarkt (nu de noordkant van het Waterlooplein), de Herenmarkt, de Noordermarkt, de Nieuwmarkt, bij de Zaagpoort (Marnixstraat bij de Nieuwe Gieterstraat) en bij de Eilandskerk op het Bickerseiland. Het jaar daarop volgden er zes op de Westermarkt, de Botermarkt (nu het Rembrandtplein), het Amstelveld, de Kadijk, de Vleeshal in de Nes (nu het pleintje bij de Brakke Grond) en op het Oudekerksplein. Het volgende traject omvatte kelders weer op de Jodenhoutmarkt, aan de Schippersgracht, bij de Scharrebiersluis, op de Westermarkt, bij de Passeerdersgracht en weer op de Herenmarkt. Het vierde project bestond in 1794 uit kelders op het Leidseplein, aan het Amstelgrachtje (thans Frederiksplein), op het Weesperplein, op de Stromarkt en bezijden het stadhuis. Tien jaar later, in 1806,  kwamen er nog vier bij: in de Plantage bij de Hortus, op de Nieuwmarkt, aan de Schans ten zuiden van de Leidsepoort en één op het Weesperplein.

Kaart van Amsterdam met de locaties en het bouwjaar van waterkelders. (Bron: Dossier Jaap Visser)

De waterleiding

De voorziening in tijden van nood was zo opgelost, maar de watervoorziening zelf werd steeds problematischer. Decennia lang volgde het ene na het andere plan om die te verbeteren. Zelfs Napoleon, die Amsterdam tot de derde stad van zijn keizerrijk bombardeerde, heeft zich er bij zijn bezoek aan de stad in 1811 mee bemoeid. Hij adviseerde om het water via buizen aan te voeren, wat werd uitgewerkt door de waterstaatkundigen M.A. Blanken Jzn en B.H. Goudriaan, maar door zijn veldtocht naar Rusland vond het project geen doorgang.

In 1849 nam de directeur der Stads-Waterwerken Jan van Maurik de hele drinkwatervoorziening nog eens onder de loep. Bij de plannen was aanvoer via leidingen nog steeds een optie, en dat zou enkele jaren later dankzij particulier initiatief worden verwezenlijkt. Het was vooral de eerste Wereldtentoonstelling, de Great Exhibition of the Works of Industry of All Nations, die in 1851 in Londen werd gehouden, die een enorme stoot gaf aan dit soort technische vernieuwingen. De chemicus en hoogleraar aan het Atheneum Illustre in Amsterdam E.H. von Baumhauer heeft die expositie bezocht. Rond die tijd maakte hij een scheikundige analyse van het Amsterdamse drinkwater. De populaire romanschrijver en politicus Jacob van Lennep had al in 1849 in Londen de spiksplinternieuwe waterleiding bekeken, die het jaar daarvoor was aangelegd. Van Lennep wist in de jaren die volgden een ondergronds leidingnet te realiseren vanuit de duinen naar de stad, dat in december 1853 operationeel werd. Hiermee werd voortaan ook de reinwaterkelders gevuld.

Het einde van de kelders

De stelling van Amsterdam, die tussen 1880 en 1914 werd aangelegd, betekende het einde van de waterkelders. Aan het begin van de twintigste eeuw werd bij de Nieuwe Meer een zuiveringsinstallatie gebouwd, die in tijden van nood grondwater kon bewerken tot drinkwater. Voor de opslag werden twee waterkelders in het project opgenomen. De kelders in de stad werden daarna aan hun lot overgelaten. Alleen toen de Tweede Wereldoorlog naderde, werd er nog een keer naar gekeken, niet als voorraadkelder, maar om ze om te bouwen tot schuilkelders. Dat bleek echter niet haalbaar. Tijdens de bezetting is de installatie bij de Nieuwe Meer in 1944 nog wel operationeel gemaakt, maar deze is niet meer in gebruik genomen. In 1950 werd het geheel een zendstation.

De kelders in de stad raakten in de vergetelheid. Na de oorlog konden alleen enkele oudere werknemers van de afdeling Onderhoud Gebouwen en Gemeente Werkplaatsen (OGW) van de dienst Publieke Werken (PW), zich nog herinneren dat ze er waren. Maar bij de aanleg van de metro kwam er weer aandacht voor; de kelders in het uitgezette traject zijn toen geruimd. De directeur van OGW, ir. J.B. Visser stelde toen een uitgebreid onderzoek in naar deze oude noodvoorziening onder de grond. Hij publiceerde dat in het blad van PW Werk in uitvoering. Daarnaast stelde hij een overzichtsdossier samen met de bewerkte tekst van dit artikel, foto’s, kopieën van belangrijke archiefstukken en een lijst van de kelders met bijzonderheden zoals de inhoud, of hij ze had geïnspecteerd en wat OGW er mee deed. Dat waren er nog 28 aan de openbare weg en 5 op binnenterreinen. Enkele heeft hij er weer laten vullen met water, terwijl andere tegen instortingsgevaar werden volgestort met puin. De pompen boven de kelders waren toen allemaal verdwenen, alleen op de Noordermarkt, het Jonas Daniel Meyer- en het Rapenburgerplein trof hij nog een enkel voetstuk aan, of een plaat die de schacht afdekte waarmee de waterkelders werden gevuld.

De kelders zijn echter nooit systematisch geruimd. Een gevaar voor de openbare ruimte vormen zij niet, wellicht omdat Visser stelde: ‘De solide bouwwijze, de zorgvuldige afwerking en het feit, dat de kelders geheel ondergronds liggen, hebben van begin af aan verval voorkomen.’ Of nog bekend is hoeveel er tegenwoordig onder het maaiveld liggen, zou ik niet kunnen zeggen. De afdeling OGW bestaat niet meer. Maar wie weet komt er nog eens een enthousiasteling zoals Jaap Visser die de zaak weer oppakt. Het zou misschien denkbaar zijn dat, bij de huidige problemen met grote hoeveelheden neerslag in zeer korte tijd, de kelders weer een rol zouden kunnen spelen; in een nieuwe functie als tijdelijke waterberging bij overvloedige regenval. Een bestemming die Visser zeker zou hebben gewaardeerd.


Literatuur

‘Archeologische vondst 3 meter onder NAP. Nieuwezijds Voorburgwal 282 – Amsterdam’, Stadsherstel Amsterdam, jaarverslag 2021, p. 50-51.

H.J. van der Beek, E.H. von Baumhauer. Zijn betekenis voor de wetenschap en de Nederlandse economie (Leiden 1963), proefschrift UvA.

J.A. Groen jr., Een cent per emmer. Het Amsterdamse drinkwater door de eeuwen heen (Amsterdam, Gemeentewaterleidingen, 1978).

J.A. Groen jr., ‘Van het manpad naar de hoofdstad. 125 jaar duinwaterleiding in Amsterdam’ Ons Amsterdam 30 (1978), p. 318-323.

100 Jaar waterleiding. Extract uit de archieven der Gemeentewaterleidingen-Amsterdam. (Amsterdam 1953).

G.A. Lindeboom, ‘Over de drinkwatervoorziening van Nederland’ Stemmen des tijds. Maandblad voor christendom en cultuur 30 (maart 1941), p. 222-227.

M. Mathijsen, Jacob van Lennep, een bezielde schavuit (Amsterdam 2018).

J. van Maurik (bew. P.P. de Baar), Versch drinkwater voor de hoofdstad. Rapport over de onderscheidene middelen welke de stad Amsterdam van Versch drinkwater zullen kunnen voorzien, 1849 (Amsterdam, Gemeentewaterleidingen, 1993).

J.B. Visser, ‘Stedelijke verswaterbakken onder de openbare weg … thans nog slechts obstakels in de  grond …’ Werk in uitvoering, maandblad van de dienst Publieke Werken Amsterdam 22 (maart 1972), p. 294-300.

J.B. Visser, Stedelijke verswaterbakken, ongepagineerd dossier, 1973, Stadsarchief Amsterdam, toegangsnr. 15030, bibliotheek, inv. nr. 108844, oude signatuur R 1015.

Verrassend theater. Achter de coulissen van het Betty Asfalt complex Erfgoed van de Week | Verrassend theater – Gemeente Amsterdam 5 augustus 2021 (internet)

Op pad in ondergronds Amsterdam

Door Milja van Tielhof

Als projectteam laten wij ons graag inspireren door overblijfselen in de stad, zoals waterputten en fonteinen. Deze keer bezochten we waterkelders op twee locaties in Amsterdam, fraaie voorbeelden van ‘drinkwater micro-infrastructuur’ onder de grond. Door omstandigheden zijn ze tijdelijk toegankelijk en die kans grepen we aan. De eerste locatie was Nieuwezijds Voorburgwal 282/282a, beter bekend als het Betty Asfalt theater, nu in verbouwing. In de zeventiende eeuw stonden hier twee huizen, die circa 1725 samengevoegd werden tot een grote patriciërswoning. De tweede locatie was het Amsterdam Museum of vroegere Burgerweeshuis. Dit complex strekt zich uit tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en de Kalverstraat en is eveneens in verbouwing.

De achttiende-eeuwse waterkelder met twee compartimenten. Foto: Stadsherstel Amsterdam / Jan Reinier van der Vliet.

Wij kwamen naar de Nieuwezijds Voorburgwal 282/282a vanwege een waterkelder uit de achttiende eeuw die een jaar geleden toevallig werd ontdekt onder het achterhuis, op ongeveer -3 NAP (zie een blog van mei 2021 hierover). De kelder was toen lek, maar is inmiddels leeggepompt en waterdicht. Via een ladder daalden wij af in deze authentieke achttiende-eeuwse ‘regenbak’, zoals waterkelders toen genoemd werden: een ware historische sensatie. De kelder is in prachtige staat, inclusief scheidingsmuur tussen de twee compartimenten, fraaie okergele betegeling die de waterdichtheid van de muren vergrootte en een loden pijp waarlangs het water kon worden opgepompt. De compartimenten bleken samen groot genoeg om er met het hele team in te kunnen. Eenmaal op de bodem ervaar je de geweldige hoogte.

We bezochten de waterkelder op uitnodiging van Kees Benschop van Stadsherstel Amsterdam, de organisatie die bezig is met een grondige renovatie van het hele pand. Hij wist veel interessants te vertellen, zoals het feit dat in het souterrain van het voorhuis resten waren aangetroffen van drie oudere, kleine regenbakken. Deze bakken lagen dicht achter de voorgevel, mogelijk omdat de voorraad regenwater dan makkelijk aangevuld kon worden met water uit de Vecht dat met schuiten tot aan de voordeur kon worden gebracht. De Voorburgwal was immers nog open water. De constructie van de veel grotere waterkelder in het achterhuis rond 1725 maakte deel uit van een uitgebreide verbouwing waarbij ook het dak werd vernieuwd. Het was ons in historische teksten ook al opgevallen dat cisternebouw vaak samenging met een nieuw dak. Het dak bepaalde immers hoeveel regenwater kon worden opgevangen. Ook het bijvullen van regenwaterreservoirs met rivierwater hadden wij inmiddels als praktijk al eens aangetroffen.

Het Burgerweeshuis, getekend door Floris Balthasarz van Berckenrode rond 1631. Korte tijd later verdwenen de bleekvelden, toen de jongensplaats (links) en de meisjesplaats (rechts) bestraat werden. Eronder werden grote regenbakken gebouwd. Rechts de nog ongedempte Nieuwezijds Voorburgwal. Foto: Stadsarchief Amsterdam.

De tweede locatie, het Amsterdam Museum of vroegere Burgerweeshuis, was niet minder interessant. Het museum is gesloten vanwege een ingrijpende verbouwing, maar was in de persoon van Maryssa Otte desondanks bereid ons te ontvangen. De sluiting bleek voor ons voordelig: niet alleen waren we de enige bezoekers op de anders vrij drukke binnenplaatsen, ook was het toegangsluik van een waterkelder voor ons open gezet. Het Burgerweeshuis heeft wel tien regenbakken uit verschillende momenten in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw. Wij kregen toegang tot de kelder die in de zomer van 1692 op de meisjesplaats is gebouwd en die uit zes compartimenten bestaat. In de tijd zelf is daarvan een tekening gemaakt. We konden hier met twee personen tegelijk in afdalen, ook nu weer via een ladder. Het was mooi om te constateren dat de situatie perfect aansloot op de zeventiende-eeuwse tekening, en interessant om het verschil met de eerder bezochte kelder te zien.

Ontwerptekening van de waterkelder met zes compartimenten, 1692. Stadsarchief Amsterdam, Oud-archief van het Burgerweeshuis, inv.nr. 138A, scan 237.

Behalve de regenbak op de meisjesplaats bezochten we de onderaardse Gewelfkamer, die ontstaan is door de overkluizing van een dwars door het weeshuiscomplex lopende sloot. Deze Begijnensloot werd in de zeventiende eeuw overkluisd, dus met een gewelf overdekt, en in de achttiende eeuw een meter verdiept, en ten slotte in de negentiende eeuw gedempt. De overkluizing met grote bogen is prachtig bewaard. De constructie was indertijd een antwoord op de stankoverlast, want de sloot werd gebruikt als afvoerkanaal van allerlei vuiligheid zoals schrob- en waswater. Hoogstwaarschijnlijk loosden zelfs secreten van het weeshuis erop. De rest van de voormalige Begijnensloot biedt nu plaats aan moderne installaties zoals klimaatbeheersing. Weer boven gekomen, bekeken we ten slotte nog de pomp op de jongensplaats met zijn twee kranen, een voor grondwater en een voor regenwater. Een bekend fenomeen in de vroegmoderne tijd, dat ons eraan herinnert dat schoon zoetwater een schaars goed was.

Het team bij de waterpomp met kranen voor grondwater en voor regenwater. Foto: Peter Jacobs.

Het Amsterdam Museum heeft een enorme opgave aan de renovatie en zal over een paar jaar geheel hernieuwd zijn deuren weer openen. De regenbakken zullen niet toegankelijk worden, maar het is wel erg leuk om te weten dat ze bij hoosbuien nog altijd gebruikt worden voor de opvang van overtollig regenwater. Zo dragen ze bij aan projecten om tijdens klimaatverandering Amsterdam ‘Rainproof’ te maken en te houden. De mooie gewelven over de gedempte Begijnensloot zullen wel zichtbaar worden gemaakt voor het publiek.


Verder lezen:

De waterkwaliteit van de toekomst

Door Marit Steman

In een vorige blog vertelden twee experts over de waterkwaliteit van nu, Diederik van den Molen, beleidsmedewerker bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, en Wendela Slok, jurist bij Vewin. Zij legden uit welke bedreigingen er zijn voor ons oppervlakte- en drinkwater. Maar hoe kunnen deze problemen worden opgelost, en hoe zien zij de toekomst?

Lastigste problemen

Allerlei problemen met de waterkwaliteit zijn in de vorige blog belicht, maar wat vinden de experts zelf de moeilijkste? Wendela geeft aan dat het lastig is dat er steeds weer uitgelegd moet worden waarom schone bronnen voor drinkwater van belang zijn, en dat drinkwaterbedrijven echt niet zomaar verplaatst kunnen worden. Ook noemt zij de steeds drukker wordende ondergrond, er komen steeds meer leidingen te liggen. Diederik vertelt dat het soms lastig is om alle partijen samen te laten werken om de problemen op te lossen, maar dit “vindt [hij] vooral een uitdaging.” “Je moet in een situatie komen dat iedereen het eens is over het doel waar je naar toe werkt, en dat iedereen een steentje bijdraagt,” legt hij uit.

De Omgevingswet

De nieuwe Omgevingswet moet veel van e wetten rondom water overnemen en integreren, en hopelijk daarmee problemen oplossen of voorkomen. De wet zelf lijkt echter ook voor problemen te kunnen zorgen. Waar voorheen de verwoording was dat men niet mag lozen tenzij er een vergunning is, staat er nu dat lozen mag, tenzij het expliciet verboden is. Het lijkt nu dus alsof elke stof die niet geloosd mag worden, apart in de wet genoemd moet worden. Wendela beaamt dat als er een nieuwe stof opduikt die niet was voorzien, er moeilijk gehandhaafd kan worden. Diederik zegt dat ze bij de overheid “goed gaan volgen hoe het uitpakt.” In het recente boek Over waterkwaliteit gesproken… – waar beide experts en ook Petra van Dam aan hebben bijgedragen – wordt uitgebreid hierop ingegaan.

Ook het toezicht op de lozingen en de stoffen die wel of niet in het oppervlaktewater terecht mogen komen komt bij een andere partij te liggen. Eerst waren de provincies en waterschappen hiervoor verantwoordelijk, nu de gemeenten. Diederik: “Ik heb vertrouwen in de creativiteit van lokale overheden en bedrijven om zelf problemen op te lossen als zij de ruimte krijgen om dat ook te doen.” Hij vertelt ook dat ze vanuit het Rijk bezig zijn om kennis aan andere partijen over te dragen. Wendela denkt echter dat gemeentes al te veel op hun dak hebben. “Een arme gemeente zal minder aan het milieu doen en industrie gemakkelijker binnenhalen dan een [nationale] overheid die meer afstand heeft,” legt ze uit, “Bovendien hebben provincies, Rijkswaterstaat, en de waterschappen meer een totaal plaatje.”

Oplossingen

Oplossingen kunnen natuurlijk op verschillende niveaus in de samenleving ontstaan. Hoe zien Wendela en Diederik de rol van de overheid, waterschappen, bedrijven en de mensen zelf?

Overheid

De rijksoverheid heeft de systeemverantwoordelijkheid, legt Diederik uit. De rijksoverheid vertaalt Europees beleid naar nationaal beleid en stelt heldere kaders voor waterbeheerders. Wendela ziet ook deze functies als de rol van de overheid. Bovendien, zoals ook al genoemd in de vorige blog, zou de overheid de verschillende kwaliteitsnormen beter op elkaar af kunnen stemmen, en strengere eisen kunnen stellen.

Waterschappen en bedrijven

De waterschappen hebben aangegeven de vervuiling graag aan te pakken bij de bron, ook Diederik beaamt dat problemen voorkomen erg belangrijk is. Hij vertelt dat er al veel projecten lopen bij de waterschappen, onder meer onderzoek naar nieuwe technieken voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater. Hierbij moeten wel keuzes gemaakt worden, legt Diederik uit, omdat die technieken soms veel energie vergen en ze ook graag naar een energieneutrale situatie toe willen. Wendela benadrukt nogmaals de behoefte aan betere afstelling van normen voor oppervlaktewater, die gehandhaafd worden door de waterschappen, en voor het oppervlaktewater dat drinkwaterbedrijven mogen innemen. Ook voor de rol van bedrijven is die gelijktrekking van de normen belangrijk. Diederik geeft aan dat er uitgegaan wordt van de maatschappelijke verantwoordelijkheid, maar Wendela denkt dat bedrijven toch wat meer controle vanuit de overheid nodig hebben.

Wat kan je zelf doen?

Wendela noemt het zorgen voor minder tegels in de tuin – zodat water beter door de grond wordt opgenomen – als een van de belangrijkste dingen die mensen zelf kunnen doen. Diederik raadt ook aan om op te letten wat je koopt en vaker tweedehands of duurzame spullen aan te schaffen. Er zijn gelukkig dus best wat dingen die je zelf kan doen om een handje te helpen. Opvallend is dat beide regentonnen noemen als een manier waarop water beter opgevangen kan worden – dus toch een klein beetje terug naar vroeger.

Symposium report: Urban Past, Urban Future? Sustainable Drinking Water in Dutch Cities, 1500-1900

On Thursday the 17th of March 2022, the project team held its first symposium, hosted as a special event at the Environmental Humanities Center. In a hybrid format, with more than 30 attendants combined in person and on Zoom, several team members presented preliminary results.

The project team at the symposium. From left to right: Milja van Tielhof, Bob Pierik, Marit Steman, Dániel Moerman, Bart Levering, and Petra van Dam. (Photo: Medha Guru)

Petra van Dam introduced the project, explaining the resilience of a city to drought as an important subject. She explained that the project focuses on the history of urban fresh water, rather than just drinking water. People used fresh water for domestic purposes as well and had multiple water sources; groundwater was accessed through wells and pumps, rainwater was harvested from roofs into cisterns. She then raised the questions that the symposium would address: Who had access to which water? In particular, how did poor people have access to good water sources like wells in the eastern Netherlands and cisterns in the western Netherlands? How was water harvested, stored, and distributed? What happened in times of drought?

The documentary Our drinking water – Is the world drying up? connects very well to the message of the symposium that the history of drinking water and in particular also the micro-infrastructures of the past inspire politicians, engineers, and other policy makers to think about water in the future and how to preserve our precious underground water reserves. The documentary covers ancient underground galleries in Malta and Inca technologies and canals, both for harvesting rain- and river-water and feeding underground aquifers. The historical part starts at 26:46.

The first presentation of the symposium by Milja van Tielhof took an Amsterdam orphanage as a case study for households’ strategies of coping with water scarcity between 1666 and 1790. She discussed which kind of water was used for what purposes, and the strategies the orphanage used in times of drought. After a lively discussion with questions from both the in-person and online participants and a short interval, Bart Levering presented on the archaeological side of the project. He explained what types of micro-water-infrastructure are found in the early-modern cities of Hoorn, Enkhuizen, and Medemblik. The symposium was closed by Dániel Moerman, who told the history of well-communities in Deventer between 1500 and 1850. Focusing on the socio-political aspects, he explained how risk-mitigating strategies to drought were developed over time.

You can find the PowerPoint of the symposium here:

Een regenbak voor de deur

Door Bob Pierik

In 1791 zat Mariane Dina Bauduins ‘hoog swanger zijnde als toen op de reegenbak voor haar deur’ in Amsterdam in een steeg op de Prinsengracht (tussen het Molenpad en de Runstraat). Dat wordt beschreven in een getuigenverklaring over een ruzie tussen Mariane en haar buurvrouw. Zo’n zaak geeft ons details over het straatleven, niet alleen in de vorm van mensen, maar ook in de vorm van hele concrete materiële aspecten, zoals de regenbak voor het huis. Die functioneerde blijkbaar ook als een soort straatmeubilair om op te zitten. De zaak laat zien dat regenwater een belangrijk goed was, waar stadsbewoners soms een stuk schaarse ruimte voor inleverden. Maar echt verdwenen was die ruimte ook niet, want de regenbak kon alsnog dienstdoen als zitplaats!

Sinds januari werk ik als postdoctoraal onderzoeker in dit mooie project. De komende tijd ga ik meer uitzoeken over watergebruik in de vorm van praktijken, normen en infrastructuren in stedelijke ruimte tussen 1700 en 1850. In deze blog vertel ik iets over het onderzoek dat ik de afgelopen jaren gedaan heb en licht ik een tipje van de sluier op over mijn plannen voor de komende tijd.

In februari promoveerde ik op het proefschrift Urban Life on the Move. Gender and Mobility in Early Modern Amsterdam aan de Universiteit van Amsterdam. Dat schreef ik in de context van het NWO project Freedom of the Streets. Gender and Urban Space in Europe and Asia 1600-1850 onder leiding van dr. Danielle van den Heuvel. In mijn proefschrift bestudeer ik de verschillende manieren waarop vroegmoderne Amsterdammers zich door de stad bewegen en ruimte toe-eigenden, waarbij de verschillen tussen vrouwen en mannen leidend waren. Ik gebruikte daarvoor voornamelijk notariële getuigenverklaringen, waarin veel details over alledaags leven in de stedelijke ruimte van Amsterdam te vinden zijn, zoals ook de zaak waar ik dit blog mee begon.

Het vroegmoderne straatleven in Amsterdam. Uitsnedes van H. P. Schouten, Bethaniëndwarsstraat, 1787 (links), Vijgendam, 1796 (rechts) and Grimburgwal, ca. 1796 (onder). NL-AsdSAA, Splitgerber (10001).

Ik gebruikte zaken zoals die over Mariane om meer te weten te komen over stadsruimte. Ondanks dat Mariane hoogzwanger was, sloeg haar buurvrouw haar voor de ogen van minstens twee buren, waarna ze flauw viel. Dit soort zaken gebruikte ik vaak niet voor de tragische gewelddadige confrontaties, maar voor de aanloop en nasleep daarvan. Zo kwam de regenbak die als straatmeubilair dienstdeed tevoorschijn. Maar de zaak is ook interessant om wat te leren over alledaagse mobiliteit van zowel vrouwen als mannen. Er wordt namelijk een vroedvrouw gehaald om Mariane bij te staan na haar mishandeling. Het laat zien dat vroedvrouwen niet alleen bij bevallingen, maar ook bij andere zorgbehoeftes van zwangere vrouwen assisteerden. Door het onvoorspelbare karakter van geboortes waren vroedvrouwen zeer mobiele vrouwen, die dag en nacht door de hele stad te vinden waren. Daarnaast werd Mariane’s man, een soldaat die op dat moment op wacht stond op de Botermarkt (het huidige Rembrandtplein) opgehaald door een kruier (iemand die met een kruiwagen werkt). Het laat zien dat kruiers zowel fysieke als abstractere boodschappen bezorgden, wat het mogelijk maakt dat het nieuws van een lokale burenruzie snel bij Mariane’s man terecht kwam en hij te hulp kon schieten.

De regenbak voor de deur past in een breder patroon dat ik in mijn proefschrift beschrijf, van stoepen, bankjes en dubbele deuren. Door heel Amsterdam werd op dat soort locaties – buiten maar toch ook thuis –  gezeten en gepraat. De regenbak functioneerde niet als een eenzijdig private of publieke plek, maar veel meer als een soort overgangsruimte. Mariane was op die manier tegelijk op straat en bij haar thuis, met de buurt en haar straat verbonden, alles behalve geïsoleerd. Die positie tussen publiek en privaat was ook op een manier geformaliseerd: Milja van Tielhof wees me op de 17de– en 18de-eeuwse precariobelastingen, waar heel veel regenbakken genoemd worden. Een precariobelasting is een belasting op zaken in de publieke ruimte, voor privégebruik. Tegenwoordig zijn dat vooral veel terrassen, maar vroeger waren dat heel veel regenbakken. Met die belastinglijst krijgen we grip op de verdeling van regenbakken in de openbare ruimte door de stad. Eén van mijn plannen voor Omgaan met Droogte is om die regenbakken in kaart te brengen en op een historische kaart te verwerken. Daarover later meer!

Het proefschrift Urban Life on the Move is hier te lezen.

Symposium: Urban Past, Urban Future? Sustainable Drinking Water in Dutch Cities, 1500-1900

Detail of Abraham Beerstraten, “De Waag met de Brink”, 1665 (Museum de Waag, Deventer) (Source)

Date:                      17th March 2022

Time:                     13:30 – 16:30

Venue:                   Vrije Universiteit, Amsterdam / Online, Zoom

Registration:   Please register by filling out the form here https://tinyurl.com/5t2s4edy 

During this interdisciplinary symposium the members of our VU-N.W.O. research project Omgaan met droogte (Coping with drought, 2020-2025) will present some preliminary conclusions of their research.

Drought as a result of human-induced climate change is an urgent challenge worldwide. World Water Day (22 March) inspires us to reflect on making our drinking water practices more sustainable. This symposium deals with the drinking water practices of the Netherlands in the period 1500 – 1850. These pre-modern practices seem more sustainable and flexible than the fossil fuel based piped drinking water systems in use today, that demand more and more valuable groundwater.  We want to address two contested ideas. First, in the low-lying Netherlands the groundwater was brackish and in the cities, the water in the canals was heavily polluted by industrial and human waste; thus cities depended on importing fresh water from the countryside and on rain water harvesting systems that stored the water in containers and cisterns. In this symposium we will illustrate examples of rainwater harvesting practices based on historical and archaeological research. We will discuss who had access to this water and what happened in times of drought. The second contested idea is that most people preferred not to drink plain water since it was considered unhealthy, regardless of its origin and quality. Hence, many quenched their thirst with light beer. Yet, to whom did this apply? Did it include women and children? And what about poor people, could they afford alcoholic drinks on a daily basis?

For more information, visit www.environmentalhumanitiescenter.com

Programme:

13:30-13:45   Introduction: Coping with drought – Petra van Dam

13:45-14:30   Households’ strategies of coping with water scarcity: a history of an Amsterdam orphanage 1666-1790 –  Milja van Tielhof

                        +Discussion

14:30-14:45   Interval

14:45-15:30  Capturing water in Hoorn, Enkhuizen and Medemblik, an archaeological survey – Bart Levering

                        +Discussion

15:30-15:45   Interval

15:45-16:30   ‘When the well is dry’. The history of well-communities in Deventer, 1500-1850 – Dániel Moerman

                        +Discussion

Abstracts:

Dr. Milja van Tielhof – Households’ strategies of coping with water scarcity: a history of an Amsterdam orphanage 1666-1790

At one of the most polluted canals of early modern Amsterdam a large orphanage could be found, housing children of poor families (the Aalmoezeniersweeshuis). While they needed clean water every day for a variety of purposes, good quality water was scarce and sometimes, during crises, even extremely scarce. The presentation will consider the different purposes for which water was used in the orphanage and the sorts of water available. It will also try to identify strategies to cope with seasonal and yearly fluctuations of water availability. Which daily practices and routines ensured flexibility, which measures were taken to tide over periods of drought and frost? Research often focuses on water provisioning systems and industrial uses, while domestic uses and interactions between provisioning and use are less well known. This presentation hopes to enrich urban water history by choosing the novel perspective of a household.  

Bart Levering, Ma Sc – Capturing water in Hoorn, Enkhuizen and Medemblik, an archaeological survey

In this presentation the micro-water-infrastructure of the West-Frisian cities Hoorn, Enkhuizen and Medemblik is investigated. Similar research was conducted by the author in 2019, building on an archaeological study about  Amsterdam, discussing construction, sizes and water capacity of cisterns (Gawronski and Veerkamp 2007). As a follow up, the functional application and spatial distribution of cisterns in Amsterdam were analysed by the author. Here it is questioned what landscape of micro-water-infrastructure was present in the West-Frisian cities, using data retrieved from the West-Friese Archeologische Rapporten. Which types of micro-water-infrastructure are found in the early-modern cities of Hoorn, Enkhuizen and Medemblik, and what are their functional, social, and technological characteristics?

Dániel Moerman, Ma, PhD – ‘When the well is dry’. The history of well-communities in Deventer, 1500-1850 Droughts are common natural phenomena in cities. They can severely disrupt the availability of water to households and different sectors of the economy. The city of Deventer, located in the east of the Netherlands, relied primarily on groundwater extracted via wells and pumps, which existed both in private and communal forms. This presentation will elaborate on early modern Deventer’s system of communal wells – cared for largely by citizens themselves – and how these coped with the threat of drought-induced water shortages from the 16th to the 19th century. It focuses particularly on the socio-political aspects that governed the development of risk-mitigating strategies to drought over time. It aims to provide a long-term perspective on the social and environmental mechanisms that influenced the resilience of Deventer to drought-induced water shortages.

Waterkwaliteit nu

Door Marit Steman

In Nederland zijn we gewend dat ons drinkwater, van hoge kwaliteit, gewoon altijd uit de kraan komt. Maar we herinneren ons ook afgelopen zomers waarin mensen in verschillende plekken in Nederland werd gevraagd om al het niet-noodzakelijke watergebruik te beperken. Dit kon overigens ook vroeger voorkomen, zoals te lezen in een blog van Dániel Moerman. Niet alleen de hoeveelheid van het drinkwater kan een probleem zijn, er zijn verschillende bedreigingen van het oppervlakte- en grondwater waar drinkwater van gemaakt wordt. PFAS is iets wat veel in het nieuws is geweest; de schadelijke stof bevindt zich onder andere in voedsel en oppervlaktewater. Ook bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen vormen een bedreiging.

Ons drinkwater is dus gezuiverd oppervlakte- of grondwater. De kwaliteit van dit water beïnvloedt ons drinkwater, of in ieder geval de energie die drinkwaterbedrijven in de zuivering van het drinkwater moeten stoppen. Volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moet de zuiveringsinspanning naar beneden, wat betekent dat vervuiling van de bron – het oppervlakte- en grondwater – moet worden aangepakt. In een vorige blog over een artikel van Petra van Dam kon u lezen hoe de kwaliteit van het oppervlaktewater zich heeft ontwikkeld in de afgelopen eeuwen, in deze blog zullen de huidige problemen met de waterkwaliteit aan bod komen. Een volgende blog zal gaan over wat er gedaan wordt om de problemen op te lossen, en wat er te verwachten valt in de toekomst. Om mij te helpen een beeld te vormen, heb ik twee experts geïnterviewd, die beide vanuit een ander perspectief naar de waterproblematiek kijken.

Even voorstellen
Diederik van den Molen is beleidsmedewerker bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I en W), waar hij bezig is met verschillende onderwerpen. Zo was hij projectleider voor de uitvoering van de KRW, houdt hij zich bezig met het Nederlandse beleid rond PFAS in samenwerking met het RIVM, en zoekt hij naar oplossingen voor stikstof depositie in natuurgebieden. Hiernaast is hij lid van het algemeen bestuur van een Hoogheemraadschap, maar voor het interview sprak hij als beleidsmedewerker bij het ministerie.

Wendela Slok is jurist bij Vewin, de Vereniging van Waterbedrijven in Nederland, die in Den Haag en Brussel de belangen van de drinkwaterbedrijven behartigt. Wendela bekijkt of regelgeving in de maak ervoor zorgt dat de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater goed blijft of beter wordt zodat de drinkwaterbedrijven de kwaliteit van het drinkwater kunnen blijven garanderen. Mocht dit niet het geval zijn wordt er geprobeerd om bij de sturen via de ministeries of het parlement.

Bedreigingen
Wat de problemen met de waterkwaliteit betreft moet er onderscheid gemaakt worden tussen oppervlakte- en grondwater, geeft Diederik aan. Hij benadrukt wel dat gemiddeld de kwaliteit van ons water in de afgelopen decennia flink vooruit is gegaan, “inmiddels heb je op heel veel plekken gewoon helder water.” Hij vertelt enthousiast dat hij in het voorjaar nog is wezen snorkelen in de Randmeren, waar je gewoon planten en vissen kan zien “alsof je in de Middellandse zee het water in gaat.” Maar Diederik erkent ook dat er nog wel problemen zijn, die deels te maken hebben met de sector landbouw. Deze problemen zijn vaak regionaal.

Het Zwarte Meer op de grens van Flevoland en Overijssel, een van de Randmeren.

Bestrijdingsmiddelen, nitraat, en andere stoffen
Bestrijdingsmiddelen en nitraat zijn al bekende problemen, maar er worden ook nieuwe stoffen in het oppervlaktewater ontdekt, vertellen Wendela en Diederik. PFAS zijn hiervan een voorbeeld. ‘PFAS’ is een verzamelnaam voor verschillende chemische stoffen die door de mens geproduceerd zijn en niet of nauwelijks afgebroken worden in het milieu. Recente studies hebben aangetoond dat deze stoffen toch schadelijker zijn dan men dacht, wat betekent dat de Europese norm voor de maximale blootstelling aan PFAS is aangepast. Diederik vertelt dat momenteel wordt nagegaan of de normen voor de hoeveelheid PFAS in het oppervlaktewater ook moeten worden aangepast.

PFAS zijn niet de enige stoffen die gevaarlijk kunnen zijn. Wendela noemt geneesmiddelen als voorbeeld. Ze legt uit dat het onderwerp opkomende stoffen niet per se nieuw is: “We zijn al jaren bezig om een voorzorgsnorm te realiseren, ook voor nieuwe onbekende stoffen.”

Een van de lastigere stoffen in het grondwater, volgens Diederik, is nitraat omdat dit er moeilijk uitgefilterd kan worden. Hij vertelt ook dat veel andere stoffen die in het oppervlaktewater gevonden worden, ook in het grondwater terecht komen. Hierbij speelt nog een extra probleem dat de reistijd van het water van bovengronds naar grondwater best lang is. “Dat betekent dat wat je nu meet in het grondwater heel vaak een effect is van beleid van tig jaar terug,” zegt Diederik.

De reistijd van grondwater (Bron: Hydroloog Marijke Huysmans op Twitter)

Hoeveelheid
Een ander probleem wat samenhangt met het klimaat is de hoeveelheid water die er beschikbaar is. Dit probleem is breder dan alleen het feit dat er minder water kan zijn, maar hangt ook samen met de chemische stoffen die in het water gevonden worden. De concentratie chemische stoffen in het water wordt namelijk hoger als er minder water is op de punten dat chemische stoffen geloosd worden. Diederik vertelt dat dit een bekend probleem is, maar dat vergunningen hier rekening mee houden om te voorkomen dat de concentratie chemische stoffen in het water te hoog wordt. Deze vergunningen kunnen bedrijven aanvragen om afvalstoffen te lozen in het oppervlaktewater.

Ook de grondwaterkwaliteit gaat achteruit als er minder water is. Lage grondwaterstanden betekenen dat er minder mest wordt opgenomen door de gewassen op de landbouwgronden, en dat er dus meer nitraat in het grondwater terecht komt. Zoals hierboven beschreven, is dit helemaal een lastig probleem omdat verandering in beleid nu, pas na jaren effect heeft.

Temperatuur
Los van stoffen in het water zijn er ook andere factoren die de kwaliteit van het water kunnen beïnvloeden. Diederik legt uit dat de temperatuur van het water ook meespeelt. Zowel hij als Wendela vertellen dat drinkwaterbedrijven geen water mogen opnemen wat een temperatuur van boven de 25 graden heeft. De reden hiervoor is dat bij hoge temperaturen het risico op de ontwikkeling van verscheidene bacteriën te groot is. Als het klimaat in de toekomst warmer wordt, zal dit een groter probleem worden.

Normen
Wendela legt uit dat voor drinkwaterbedrijven de verschillende normen die er zijn ook een probleem veroorzaken. De Drinkwaterregeling, de wetgeving voor drinkwaterbedrijven, heeft normen bepaald waaraan het oppervlaktewater wat drinkwaterbedrijven mogen innemen, moet voldoen. Deze normen leggen bijvoorbeeld vast wat de maximale concentratie van een bepaalde chemische stof mag zijn bij inname van water door een drinkwaterbedrijf. Voor veel van deze stoffen is door het ministerie van I en W geen milieukwaliteitseis voor het oppervlaktewater in het algemeen gesteld. Er is wel een signaleringswaarde, “maar het is juridisch belangrijk dat dit een milieukwaliteitseis wordt, dat is afdwingbaar en vergt maatregelen om aan de waterkwaliteit te voldoen,” stelt Wendela. Doordat er voor het oppervlaktewater wat drinkwaterbedrijven mogen innemen wel strenge normen zijn, maar deze niet overeenkomen met normen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in het algemeen ontstaat er een “gap.” “Het principe van bescherming aan de bron is een mooi Europees uitgangspunt.”

Wat nu?
Kortom, bestrijdingsmiddelen, PFAS, nitraat en nieuwe chemische stoffen zoals geneesmiddelen, een hogere temperatuur en meer droogte hebben allemaal een negatieve invloed op de kwaliteit van de bronnen voor ons drinkwater. Naast deze meer meetbare problemen verdienen de verschillen in normen voor oppervlaktewater en het water wat drinkwaterbedrijven mogen gebruiken ook aandacht. Diederik en Wendela geven beide aan dat zowel door het ministerie als door Vewin er hard wordt gewerkt aan oplossingen voor deze problemen. De volgende blog zal hierover gaan!