Een regenbak voor de deur

Door Bob Pierik

In 1791 zat Mariane Dina Bauduins ‘hoog swanger zijnde als toen op de reegenbak voor haar deur’ in Amsterdam in een steeg op de Prinsengracht (tussen het Molenpad en de Runstraat). Dat wordt beschreven in een getuigenverklaring over een ruzie tussen Mariane en haar buurvrouw. Zo’n zaak geeft ons details over het straatleven, niet alleen in de vorm van mensen, maar ook in de vorm van hele concrete materiële aspecten, zoals de regenbak voor het huis. Die functioneerde blijkbaar ook als een soort straatmeubilair om op te zitten. De zaak laat zien dat regenwater een belangrijk goed was, waar stadsbewoners soms een stuk schaarse ruimte voor inleverden. Maar echt verdwenen was die ruimte ook niet, want de regenbak kon alsnog dienstdoen als zitplaats!

Sinds januari werk ik als postdoctoraal onderzoeker in dit mooie project. De komende tijd ga ik meer uitzoeken over watergebruik in de vorm van praktijken, normen en infrastructuren in stedelijke ruimte tussen 1700 en 1850. In deze blog vertel ik iets over het onderzoek dat ik de afgelopen jaren gedaan heb en licht ik een tipje van de sluier op over mijn plannen voor de komende tijd.

In februari promoveerde ik op het proefschrift Urban Life on the Move. Gender and Mobility in Early Modern Amsterdam aan de Universiteit van Amsterdam. Dat schreef ik in de context van het NWO project Freedom of the Streets. Gender and Urban Space in Europe and Asia 1600-1850 onder leiding van dr. Danielle van den Heuvel. In mijn proefschrift bestudeer ik de verschillende manieren waarop vroegmoderne Amsterdammers zich door de stad bewegen en ruimte toe-eigenden, waarbij de verschillen tussen vrouwen en mannen leidend waren. Ik gebruikte daarvoor voornamelijk notariële getuigenverklaringen, waarin veel details over alledaags leven in de stedelijke ruimte van Amsterdam te vinden zijn, zoals ook de zaak waar ik dit blog mee begon.

Het vroegmoderne straatleven in Amsterdam. Uitsnedes van H. P. Schouten, Bethaniëndwarsstraat, 1787 (links), Vijgendam, 1796 (rechts) and Grimburgwal, ca. 1796 (onder). NL-AsdSAA, Splitgerber (10001).

Ik gebruikte zaken zoals die over Mariane om meer te weten te komen over stadsruimte. Ondanks dat Mariane hoogzwanger was, sloeg haar buurvrouw haar voor de ogen van minstens twee buren, waarna ze flauw viel. Dit soort zaken gebruikte ik vaak niet voor de tragische gewelddadige confrontaties, maar voor de aanloop en nasleep daarvan. Zo kwam de regenbak die als straatmeubilair dienstdeed tevoorschijn. Maar de zaak is ook interessant om wat te leren over alledaagse mobiliteit van zowel vrouwen als mannen. Er wordt namelijk een vroedvrouw gehaald om Mariane bij te staan na haar mishandeling. Het laat zien dat vroedvrouwen niet alleen bij bevallingen, maar ook bij andere zorgbehoeftes van zwangere vrouwen assisteerden. Door het onvoorspelbare karakter van geboortes waren vroedvrouwen zeer mobiele vrouwen, die dag en nacht door de hele stad te vinden waren. Daarnaast werd Mariane’s man, een soldaat die op dat moment op wacht stond op de Botermarkt (het huidige Rembrandtplein) opgehaald door een kruier (iemand die met een kruiwagen werkt). Het laat zien dat kruiers zowel fysieke als abstractere boodschappen bezorgden, wat het mogelijk maakt dat het nieuws van een lokale burenruzie snel bij Mariane’s man terecht kwam en hij te hulp kon schieten.

De regenbak voor de deur past in een breder patroon dat ik in mijn proefschrift beschrijf, van stoepen, bankjes en dubbele deuren. Door heel Amsterdam werd op dat soort locaties – buiten maar toch ook thuis –  gezeten en gepraat. De regenbak functioneerde niet als een eenzijdig private of publieke plek, maar veel meer als een soort overgangsruimte. Mariane was op die manier tegelijk op straat en bij haar thuis, met de buurt en haar straat verbonden, alles behalve geïsoleerd. Die positie tussen publiek en privaat was ook op een manier geformaliseerd: Milja van Tielhof wees me op de 17de– en 18de-eeuwse precariobelastingen, waar heel veel regenbakken genoemd worden. Een precariobelasting is een belasting op zaken in de publieke ruimte, voor privégebruik. Tegenwoordig zijn dat vooral veel terrassen, maar vroeger waren dat heel veel regenbakken. Met die belastinglijst krijgen we grip op de verdeling van regenbakken in de openbare ruimte door de stad. Eén van mijn plannen voor Omgaan met Droogte is om die regenbakken in kaart te brengen en op een historische kaart te verwerken. Daarover later meer!

Het proefschrift Urban Life on the Move is hier te lezen.

Symposium: Urban Past, Urban Future? Sustainable Drinking Water in Dutch Cities, 1500-1900

Detail of Abraham Beerstraten, “De Waag met de Brink”, 1665 (Museum de Waag, Deventer) (Source)

Date:                      17th March 2022

Time:                     13:30 – 16:30

Venue:                   Vrije Universiteit, Amsterdam / Online, Zoom

Registration:   Please register by filling out the form here https://tinyurl.com/5t2s4edy 

During this interdisciplinary symposium the members of our VU-N.W.O. research project Omgaan met droogte (Coping with drought, 2020-2025) will present some preliminary conclusions of their research.

Drought as a result of human-induced climate change is an urgent challenge worldwide. World Water Day (22 March) inspires us to reflect on making our drinking water practices more sustainable. This symposium deals with the drinking water practices of the Netherlands in the period 1500 – 1850. These pre-modern practices seem more sustainable and flexible than the fossil fuel based piped drinking water systems in use today, that demand more and more valuable groundwater.  We want to address two contested ideas. First, in the low-lying Netherlands the groundwater was brackish and in the cities, the water in the canals was heavily polluted by industrial and human waste; thus cities depended on importing fresh water from the countryside and on rain water harvesting systems that stored the water in containers and cisterns. In this symposium we will illustrate examples of rainwater harvesting practices based on historical and archaeological research. We will discuss who had access to this water and what happened in times of drought. The second contested idea is that most people preferred not to drink plain water since it was considered unhealthy, regardless of its origin and quality. Hence, many quenched their thirst with light beer. Yet, to whom did this apply? Did it include women and children? And what about poor people, could they afford alcoholic drinks on a daily basis?

For more information, visit www.environmentalhumanitiescenter.com

Programme:

13:30-13:45   Introduction: Coping with drought – Petra van Dam

13:45-14:30   Households’ strategies of coping with water scarcity: a history of an Amsterdam orphanage 1666-1790 –  Milja van Tielhof

                        +Discussion

14:30-14:45   Interval

14:45-15:30  Capturing water in Hoorn, Enkhuizen and Medemblik, an archaeological survey – Bart Levering

                        +Discussion

15:30-15:45   Interval

15:45-16:30   ‘When the well is dry’. The history of well-communities in Deventer, 1500-1850 – Dániel Moerman

                        +Discussion

Abstracts:

Dr. Milja van Tielhof – Households’ strategies of coping with water scarcity: a history of an Amsterdam orphanage 1666-1790

At one of the most polluted canals of early modern Amsterdam a large orphanage could be found, housing children of poor families (the Aalmoezeniersweeshuis). While they needed clean water every day for a variety of purposes, good quality water was scarce and sometimes, during crises, even extremely scarce. The presentation will consider the different purposes for which water was used in the orphanage and the sorts of water available. It will also try to identify strategies to cope with seasonal and yearly fluctuations of water availability. Which daily practices and routines ensured flexibility, which measures were taken to tide over periods of drought and frost? Research often focuses on water provisioning systems and industrial uses, while domestic uses and interactions between provisioning and use are less well known. This presentation hopes to enrich urban water history by choosing the novel perspective of a household.  

Bart Levering, Ma Sc – Capturing water in Hoorn, Enkhuizen and Medemblik, an archaeological survey

In this presentation the micro-water-infrastructure of the West-Frisian cities Hoorn, Enkhuizen and Medemblik is investigated. Similar research was conducted by the author in 2019, building on an archaeological study about  Amsterdam, discussing construction, sizes and water capacity of cisterns (Gawronski and Veerkamp 2007). As a follow up, the functional application and spatial distribution of cisterns in Amsterdam were analysed by the author. Here it is questioned what landscape of micro-water-infrastructure was present in the West-Frisian cities, using data retrieved from the West-Friese Archeologische Rapporten. Which types of micro-water-infrastructure are found in the early-modern cities of Hoorn, Enkhuizen and Medemblik, and what are their functional, social, and technological characteristics?

Dániel Moerman, Ma, PhD – ‘When the well is dry’. The history of well-communities in Deventer, 1500-1850 Droughts are common natural phenomena in cities. They can severely disrupt the availability of water to households and different sectors of the economy. The city of Deventer, located in the east of the Netherlands, relied primarily on groundwater extracted via wells and pumps, which existed both in private and communal forms. This presentation will elaborate on early modern Deventer’s system of communal wells – cared for largely by citizens themselves – and how these coped with the threat of drought-induced water shortages from the 16th to the 19th century. It focuses particularly on the socio-political aspects that governed the development of risk-mitigating strategies to drought over time. It aims to provide a long-term perspective on the social and environmental mechanisms that influenced the resilience of Deventer to drought-induced water shortages.

Waterkwaliteit nu

Door Marit Steman

In Nederland zijn we gewend dat ons drinkwater, van hoge kwaliteit, gewoon altijd uit de kraan komt. Maar we herinneren ons ook afgelopen zomers waarin mensen in verschillende plekken in Nederland werd gevraagd om al het niet-noodzakelijke watergebruik te beperken. Dit kon overigens ook vroeger voorkomen, zoals te lezen in een blog van Dániel Moerman. Niet alleen de hoeveelheid van het drinkwater kan een probleem zijn, er zijn verschillende bedreigingen van het oppervlakte- en grondwater waar drinkwater van gemaakt wordt. PFAS is iets wat veel in het nieuws is geweest; de schadelijke stof bevindt zich onder andere in voedsel en oppervlaktewater. Ook bestrijdingsmiddelen en geneesmiddelen vormen een bedreiging.

Ons drinkwater is dus gezuiverd oppervlakte- of grondwater. De kwaliteit van dit water beïnvloedt ons drinkwater, of in ieder geval de energie die drinkwaterbedrijven in de zuivering van het drinkwater moeten stoppen. Volgens de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) moet de zuiveringsinspanning naar beneden, wat betekent dat vervuiling van de bron – het oppervlakte- en grondwater – moet worden aangepakt. In een vorige blog over een artikel van Petra van Dam kon u lezen hoe de kwaliteit van het oppervlaktewater zich heeft ontwikkeld in de afgelopen eeuwen, in deze blog zullen de huidige problemen met de waterkwaliteit aan bod komen. Een volgende blog zal gaan over wat er gedaan wordt om de problemen op te lossen, en wat er te verwachten valt in de toekomst. Om mij te helpen een beeld te vormen, heb ik twee experts geïnterviewd, die beide vanuit een ander perspectief naar de waterproblematiek kijken.

Even voorstellen
Diederik van den Molen is beleidsmedewerker bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I en W), waar hij bezig is met verschillende onderwerpen. Zo was hij projectleider voor de uitvoering van de KRW, houdt hij zich bezig met het Nederlandse beleid rond PFAS in samenwerking met het RIVM, en zoekt hij naar oplossingen voor stikstof depositie in natuurgebieden. Hiernaast is hij lid van het algemeen bestuur van een Hoogheemraadschap, maar voor het interview sprak hij als beleidsmedewerker bij het ministerie.

Wendela Slok is jurist bij Vewin, de Vereniging van Waterbedrijven in Nederland, die in Den Haag en Brussel de belangen van de drinkwaterbedrijven behartigt. Wendela bekijkt of regelgeving in de maak ervoor zorgt dat de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater goed blijft of beter wordt zodat de drinkwaterbedrijven de kwaliteit van het drinkwater kunnen blijven garanderen. Mocht dit niet het geval zijn wordt er geprobeerd om bij de sturen via de ministeries of het parlement.

Bedreigingen
Wat de problemen met de waterkwaliteit betreft moet er onderscheid gemaakt worden tussen oppervlakte- en grondwater, geeft Diederik aan. Hij benadrukt wel dat gemiddeld de kwaliteit van ons water in de afgelopen decennia flink vooruit is gegaan, “inmiddels heb je op heel veel plekken gewoon helder water.” Hij vertelt enthousiast dat hij in het voorjaar nog is wezen snorkelen in de Randmeren, waar je gewoon planten en vissen kan zien “alsof je in de Middellandse zee het water in gaat.” Maar Diederik erkent ook dat er nog wel problemen zijn, die deels te maken hebben met de sector landbouw. Deze problemen zijn vaak regionaal.

Het Zwarte Meer op de grens van Flevoland en Overijssel, een van de Randmeren.

Bestrijdingsmiddelen, nitraat, en andere stoffen
Bestrijdingsmiddelen en nitraat zijn al bekende problemen, maar er worden ook nieuwe stoffen in het oppervlaktewater ontdekt, vertellen Wendela en Diederik. PFAS zijn hiervan een voorbeeld. ‘PFAS’ is een verzamelnaam voor verschillende chemische stoffen die door de mens geproduceerd zijn en niet of nauwelijks afgebroken worden in het milieu. Recente studies hebben aangetoond dat deze stoffen toch schadelijker zijn dan men dacht, wat betekent dat de Europese norm voor de maximale blootstelling aan PFAS is aangepast. Diederik vertelt dat momenteel wordt nagegaan of de normen voor de hoeveelheid PFAS in het oppervlaktewater ook moeten worden aangepast.

PFAS zijn niet de enige stoffen die gevaarlijk kunnen zijn. Wendela noemt geneesmiddelen als voorbeeld. Ze legt uit dat het onderwerp opkomende stoffen niet per se nieuw is: “We zijn al jaren bezig om een voorzorgsnorm te realiseren, ook voor nieuwe onbekende stoffen.”

Een van de lastigere stoffen in het grondwater, volgens Diederik, is nitraat omdat dit er moeilijk uitgefilterd kan worden. Hij vertelt ook dat veel andere stoffen die in het oppervlaktewater gevonden worden, ook in het grondwater terecht komen. Hierbij speelt nog een extra probleem dat de reistijd van het water van bovengronds naar grondwater best lang is. “Dat betekent dat wat je nu meet in het grondwater heel vaak een effect is van beleid van tig jaar terug,” zegt Diederik.

De reistijd van grondwater (Bron: Hydroloog Marijke Huysmans op Twitter)

Hoeveelheid
Een ander probleem wat samenhangt met het klimaat is de hoeveelheid water die er beschikbaar is. Dit probleem is breder dan alleen het feit dat er minder water kan zijn, maar hangt ook samen met de chemische stoffen die in het water gevonden worden. De concentratie chemische stoffen in het water wordt namelijk hoger als er minder water is op de punten dat chemische stoffen geloosd worden. Diederik vertelt dat dit een bekend probleem is, maar dat vergunningen hier rekening mee houden om te voorkomen dat de concentratie chemische stoffen in het water te hoog wordt. Deze vergunningen kunnen bedrijven aanvragen om afvalstoffen te lozen in het oppervlaktewater.

Ook de grondwaterkwaliteit gaat achteruit als er minder water is. Lage grondwaterstanden betekenen dat er minder mest wordt opgenomen door de gewassen op de landbouwgronden, en dat er dus meer nitraat in het grondwater terecht komt. Zoals hierboven beschreven, is dit helemaal een lastig probleem omdat verandering in beleid nu, pas na jaren effect heeft.

Temperatuur
Los van stoffen in het water zijn er ook andere factoren die de kwaliteit van het water kunnen beïnvloeden. Diederik legt uit dat de temperatuur van het water ook meespeelt. Zowel hij als Wendela vertellen dat drinkwaterbedrijven geen water mogen opnemen wat een temperatuur van boven de 25 graden heeft. De reden hiervoor is dat bij hoge temperaturen het risico op de ontwikkeling van verscheidene bacteriën te groot is. Als het klimaat in de toekomst warmer wordt, zal dit een groter probleem worden.

Normen
Wendela legt uit dat voor drinkwaterbedrijven de verschillende normen die er zijn ook een probleem veroorzaken. De Drinkwaterregeling, de wetgeving voor drinkwaterbedrijven, heeft normen bepaald waaraan het oppervlaktewater wat drinkwaterbedrijven mogen innemen, moet voldoen. Deze normen leggen bijvoorbeeld vast wat de maximale concentratie van een bepaalde chemische stof mag zijn bij inname van water door een drinkwaterbedrijf. Voor veel van deze stoffen is door het ministerie van I en W geen milieukwaliteitseis voor het oppervlaktewater in het algemeen gesteld. Er is wel een signaleringswaarde, “maar het is juridisch belangrijk dat dit een milieukwaliteitseis wordt, dat is afdwingbaar en vergt maatregelen om aan de waterkwaliteit te voldoen,” stelt Wendela. Doordat er voor het oppervlaktewater wat drinkwaterbedrijven mogen innemen wel strenge normen zijn, maar deze niet overeenkomen met normen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in het algemeen ontstaat er een “gap.” “Het principe van bescherming aan de bron is een mooi Europees uitgangspunt.”

Wat nu?
Kortom, bestrijdingsmiddelen, PFAS, nitraat en nieuwe chemische stoffen zoals geneesmiddelen, een hogere temperatuur en meer droogte hebben allemaal een negatieve invloed op de kwaliteit van de bronnen voor ons drinkwater. Naast deze meer meetbare problemen verdienen de verschillen in normen voor oppervlaktewater en het water wat drinkwaterbedrijven mogen gebruiken ook aandacht. Diederik en Wendela geven beide aan dat zowel door het ministerie als door Vewin er hard wordt gewerkt aan oplossingen voor deze problemen. De volgende blog zal hierover gaan!

Water voor de dieren: het drenken van vee

Door Piet van Cruyningen

De vraag over het drenken van het vee die Petra opwerpt in haar blog is in de Nederlandse landbouwgeschiedenis nog nooit echt onderzocht, hoewel er in de collecties van boerderijonderzoekers als Klaas Uilkema en Hendrik Jan van Houten – bewaard bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort – waarschijnlijk wel aantekeningen over te vinden zijn.

Er is me wel een en ander bekend over het drenken van koeien en paarden in Zeeland. De drinkwatervoorziening was daar extra problematisch omdat een groot deel van het grondwater er brak was, als gevolg van verzilting door de zoute Zeeuwse stromen. Veel dorpen hadden daarom een vijver met een bodem van niet-doorlatende klei, waarin regenwater werd opgevangen. Zo’n vijver, die op de Zeeuwse eilanden ‘vate’ werd genoemd, kon bluswater leveren in geval van brand, maar diende vooral ook om paarden te drenken. Voor die dieren was er een bestrate helling waarlangs ze omlaag konden lopen om te drinken. De boerderijen buiten het dorp hadden een eigen vijver. Dagelijks, aan het eind van de werkdag, liepen de paarden naar die vijver om te drinken.

De vate van Baarland, gefotografeerd in 1966 door G.J. Dukker. Bron: Collectie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, documentnummer 160.474.

Voor de koeien werd deze voorziening niet gebruikt. In de zomer liepen ze buiten in de wei en konden drinken uit de sloten. Was het water in de sloot te brak, dan vulde de boer een trog met drinkwater, soms uit een ‘tankwagen’, een boerenwagen met een watertank erop. ’s Winters, als de koeien op stal stonden, kregen ze emmers water voorgezet. Dat was veel werk, maar de meeste boeren hadden vaste arbeiders die in de winter niet veel te doen hadden, dus dit was een vorm van werkvoorziening. Bovendien waren de meeste Zeeuwse boeren in de eerste plaats akkerbouwer. De rundveestapel op de Zeeuwse boerenbedrijven was daardoor niet groot. Zeker vanaf eind negentiende eeuw, toen het belang van stalmest afnam door de opkomst van kunstmest, hielden de meeste boeren slechts enkele koeien.

Waarom werden de vijvers niet ook gebruikt om de koeien te drenken? Op die vraag heb ik geen echt antwoord. Het kan zijn dat de hellingen te steil waren voor koeien. Het kan er ook mee samenhangen dat koeien niet graag naar buiten gaan als ze eenmaal lekker warm op stal staan. Het is heel moeilijk om koeien ’s winters naar buiten te krijgen. Dat bleek tijdens de ramp van 1953 toen veel koeien in hun stal verdronken, terwijl paarden overleefden omdat ze wel de koude nacht in durfden.


Dr. Piet van Cruyningen is agrarisch historicus aan de universiteit van Wageningen

Projectbezoek Openluchtmuseum Arnhem

Door Dániel Moerman

Het project ‘Omgaan met Droogte’ gaat over de rol van water in het dagelijks leven van mensen door de eeuwen heen. Sporen van hoe men vroeger aan drinkwater kwam zijn op veel historische plekken in Nederland nog te aanschouwen, zij het in gerenoveerde of in geremodelleerde staat. Er is in Nederland echter één specifieke plek waar een groot deel van dit soort oude drinkwatersystemen bij elkaar zijn gebracht, namelijk het Openluchtmuseum in Arnhem. Vorig jaar schreef Leendert van Prooije, inmiddels gepensioneerd wetenschappelijk medewerker van het Openluchtmuseum, een column over ons project in het kader van onze samenwerking. Bijna een half jaar later brachten wij als projectgroep een bezoek te brengen aan het museum en presenteerden we ook enkele voorlopige conclusies uit de verschillende deelonderzoeken aan de opvolger van Leendert: Hubert Slings.

Het projectteam bij de waterput van de achttiende-eeuwse boerderij uit Harreveld in het Openluchtmuseum Arnhem (Foto: Hubert Slings)

Op 20 augustus werden wij in de ochtend zeer hartelijk ontvangen met koffie en huisgebakken boterkoek, waarna de presentaties plaatsvonden in het auditorium. Allereerst presenteerde Hubert de interessante wordingsgeschiedenis van het Openluchtmuseum, dat sinds de oprichting in 1912 is getransformeerd in een rijke verzameling aan materieel erfgoed uit alle streken van Nederland. Hij stond ook stil bij enige interessante voorbeelden van premoderne watersystemen, zoals putten en pompen, die we na de presentaties met eigen ogen mochten aanschouwen. Wat we echter niet konden aanschouwen was een voorbeeld van een ondergrondse regenwatercisterne, zoals die recent nog in Amsterdam werd aangetroffen. Maar onderzoek naar cisternen die mogelijk bestaan hebben onder naar het museum verplaatste gebouwen kan nog uitgevoerd worden dankzij de vele inventarissen die in de loop der eeuwen bij iedere overplaatsing zijn gemaakt.

Petra zette de hoofdlijnen van ons onderzoeksproject uiteen, met een presentatie die ook op onze website te vinden is. Milja presenteerde over haar deelonderzoek naar de watervoorzieningen van diverse weeshuizen in Amsterdam, waarin cisternen een belangrijke functie hadden. Dániel, vertelde over diens deelonderzoek in de oostelijke regionen van ons land, waar de focus meer op grondwater lag. In bepaalde steden zoals Deventer ontstonden aan het einde van de middeleeuwen zelfs heuse putgemeenschappen. Deze putgemeenschappen speelden een belangrijke rol in het onderhoud en gebruiksklaar houden van de putten, die behalve voor de drinkwatervoorziening ook voor de stedelijke brandbestrijding in de vroegmoderne periode van groot belang waren. Maar ook hier werd regenwater verzameld. Verschillende, waarschijnlijk rijke burgers van Deventer lieten ook gedurende de zeventiende en achttiende eeuw regenwatercisternen bij of onder hun huizen bouwen.

Een deel van de projectgroep kijkt naar een put bij de boerderij uit Krawinkel (Foto: Petra van Dam)

Na de presentaties volgde een wandeling en beknopte tramtocht door het immense museum. Hierbij stonden we onder andere stil bij de waterput van de achttiende-eeuwse boerderij uit Harreveld (zie foto projectgroep eerder). Ons bezoek was zeer inspirerend en we hebben ook ideeën opgedaan voor de ontwikkeling van de samenwerking.

Waterleidingen en bomen

Door Petra van Dam

De vakantieverhalen van Daniël en Marja inspireren mij tot overpeinzingen van mijn vakantie-ervaringen met drinkwatermonumenten. Het is gek maar zodra onderzoekers een nieuw onderzoeksonderwerp hebben, zien ze overal om zich heen onderwerpen voor onderzoek opdoemen.

De cisternen met waterputten in het verhaal van Marja doen me denken aan de prachtige waterput in de burcht Forchtenstein in het grensgebied van Oostenrijk en Hongarije. De burcht staat op een grote rots en de put is op een binnenplaats 50 m diep in de berg uitgehouwen. Een looprad met een diameter van zeker drie meter (daarin liep iemand) bedient de enorme emmers die naar beneden gelaten werden.

Daarbij is de put in een uitbouwtje van een kasteelkamer van Slot Loevestijn (beroemd kasteel omdat Hugo de Groot daar gevangen zat en ontsnapte in een boekenkist) maar eenvoudig.

Water optakelen uit de slotgracht van kasteel Loevestein in een uitbouwtje van een woonvertrek op de tweede etage (Foto: P. Rumler)

Aquaducten bevinden zich op veel plekken in Europa, maar zo’n oude als Daniël op Sicilië heeft ontdekt, en die bovendien nog functioneert, heb ik nog nooit gezien. Ik heb wel een keer op een Romeins aquaduct bij Les Beaux-de-Provence gelopen, dat vond ik al heel spannend.

Sinds het begin van ons onderzoeksproject verzamel ik foto’s van pompen. Vorig jaar vond ik twee pompen in Hasselt (1776). Een daarvan heeft oranje afzettingen, ontstaan door het ijzerhoudende grondwater van de Veluwe. Er zijn ook veel oranje beekjes op de Veluwe. Sommige pompen zijn prachtig versierd. Op een van mijn fietstochten deze zomer trof ik een pomp aan op het centrale plein van de oude dorpskern van Wassenaar, met daarop wapentjes met de halve maantjes van het adellijke geslacht Van Wassenaar dat daar eeuwenlang de baas was. Qua positie in het ruimtelijke patroon deed de pomp me denken aan de Mariapomp in Utrecht, die we op onze excursie vorig jaar bezochten, en die ook op een centraal plein stond. Pompen staan vaak op belangrijke (markt)pleinen, maar een enkele keer staan ze ook geleund tegen een kerk, waar ze vermoedelijk toegang geven tot een cisterne die gevoed wordt vanaf het kerkdak. Ik denk dat de pomp van de wijk Burchtstreng bij de Hooglandse kerk in Leiden zo’n geval is, maar je weet het nooit. Een pomp kan ook verplaatst zijn toen hij niet meer nodig was en men hem als monument wilde bewaren.

Tijdens de afgelopen vakantie in het zuiden van Oostenrijk had ik de kans te kijken naar de watervoorziening van boerderijen en stallen. De volkskundige verzameling van het stadsmuseum van Spittal in Karinthië bevat een boeren- of stokwatermolen. Dat is een kleine watermolen die op een steil bergbeekje draaide voor een boerderij of een klein groepje boerderijen. Ze werden voornamelijk gebruikt voor het malen van graan, maar ze konden ook ingezet worden voor het persen van lijnzaad (voor bereiding van olie).

Het meest intrigerend vond ik de boormachine voor het uitboren van boomstammen, die ook aangesloten kon worden op een watermolen. Hiermee werden namelijk waterleidingen gemaakt. In de boor zit een lepelboor waarmee de boomstam uitgehold wordt. Het einde van de stam wordt een beetje afgevlakt en zo kunnen de stammen in elkaar geschoven worden. Misschien werden de naden wel met gedroogd mos waterdicht gemaakt, zoals dat ook bij schepen in Nederland gebeurde. Mos zet uit als het nat wordt.

Bomen boren (Bron: H. Prasch, Alte Kärntner Holzkultur (Spittal 1980), 117).

De houten waterleidingen brachten me op de volgende gedachte. Zouden in landen waar veel bos is en waar dankzij reliëf vrij makkelijk veel watermolens functioneren, al eerder waterleidingen gebouwd zijn dan in ons vlakke land waar al eeuwen nauwelijks bomen zijn? Met makkelijk bedoel ik ook goedkoper. In noordwest Europa zijn ook wel enkele vroege waterleidingbuizen van aardewerk bekend, maar dat lijkt me toch veel meer werk en vooral ook energie-intensief. Klei moet gebakken worden en daarvoor is dan ook weer de kap van hout nodig. Misschien heeft een Duitse historicus dit allang uitgezocht, want in Duitsland is al veel onderzoek gedaan naar watertechnologie.

Ik heb in de zomer  ook een dag doorgebracht in het openluchtmuseum van Stübing. Daar staan de meest prachtige boerderijen met stallen uit heel Oostenrijk. Vaak zijn die overgebracht als er ergens een stuwdam werd gebouwd en een dal onder water gezet werd. Oostenrijk zit vol met stuwmeren voor de opwekking van elektriciteit. Binnen in de boerderijen was eigenlijk geen watervoorziening te vinden, maar erbuiten was vaak een eenvoudige, doeltreffende inrichting. Vanuit de bergwand kwam een houten waterleiding, waaruit constant water liep in een trog, een uitgeholde boomstam, en dat werd constant ververst, want de trog had een overloop. In de trog kun je snel even een emmer dompelen en voor het schoonste water zet je de emmer onder de waterleiding. De trog is groot, daar zou je ook kleding in kunnen wassen en andere zaken.

Ik vroeg me af hoe de beesten in de stallen gedrenkt werden. Daar was geen waterleiding, maar in sommige stallen had ieder rund een stenen trog. Dus nu zijn er twee opties: men leidde de beesten naar de grote trog buiten, of men sleepte het water voor de beesten aan met emmers en vulde de bakken in de stal. Een beetje moderne Nederlandse koe drinkt al gauw 60 liter per dag, dus dat laatste zou een zware klus geweest zijn, maar het rondlopen met koeien rondom een boerderij is ook een gedoe. Ze willen vermoedelijk ook niet zo braaf de voorraad water voor een hele dag in een keer opdrinken. Het zijn geen kamelen.

Drinkwaterinstallatie gevoed door bergwater in Oostenrijk (Foto: P. Rumler)

In het Openluchtmuseum in Arnhem staat een Noord-Hollandse stolpboerderij met een kalverenstal geïntegreerd in het woonhuis. De boerderij is voorzien van een cisterne gevoed vanaf het dak en in de stal is een nog originele houten pomp. De Hollandse oplossing was mogelijk dus heel wat minder arbeidsintensief dan de Oostenrijkse, althans in Noord-Holland waar de veeteelt domineerde en waar al vanaf de middeleeuwen de landbouw relatief modern was.

Wordt vervolgd!

Monumentale cisterne in Piran: Coping with drought in 1775

Door Marja Heier

In 2020 reisde ik, toen het even kon, door Slovenië. In het stadje Piran keek ik vol bewondering naar een overblijfsel uit de watergeschiedenis. Mijn verwondering behelsde twee dingen: wat snel heeft men een toekomstgerichte oplossing bedacht, zonder te weten hoe het weer zich in de toekomst zou gedragen, en wat praktisch is er van diverse mogelijkheden gebruikt gemaakt.

Het stadje Piran, gelegen op een schiereiland dat onderdeel is van het kleine stukje kust dat Slovenië bezit, was al in handen geweest van diverse heersende rijken, toen het in 1283 onderdeel van de staat Venetië werd, dat op een afstand van 196,1 km over water, tegenover Piran ligt. Piran had hierdoor een eeuwenlange bloeitijd. Bouwwerken verrezen en stadsmuren werden aangelegd, als bescherming tegen de omliggende steden. Dit veranderde toen Venetië in 1797 onder invloed van Napoleon kwam. Voordat het land Slovenië werd uitgeroepen, zorgde voormalig Joegoslavië dat het oude centrum werd geconserveerd. Het stadje is nu een ‘cultureel monument’ langs de Adriatische Zee. Genietend rondkijkend, belandde ik op en terrasje op Prvomajski Trg of 1st May Square (tot de dertiende eeuw zat hier een administratief centrum; het plein wordt daarom ook wel Old Square genoemd).

Ook in de vakantie reist ‘Coping with drought’ mee. Mijn aandacht werd niet alleen naar de twee putten getrokken, maar ook naar overblijfselen aan de oude huizen die samen leken te hangen met deze putten. Gelukkig was er een toeristenfoldertje dat duidelijk maakte dat hier een mooi stuk (drink)watergeschiedenis is te zien. ‘After a severe drought in 1775 a stone rainwater collector was built here, with gutters from the neighbouring building connected to it. Stairs lead to the entrance of the platform, watched over by the sculpted personifications of Law and Justice.’

(Foto: Marja Heier)

De foto boven toont een overzicht van het plein met de twee putten, richting de trap met de twee genoemde beelden. Hieronder de indrukwekkende deksels.

Aan de overzijde van de trap staan op de hoeken van het plein zuilen met beelden die de afvoer uit de goot moeten begeleiden. Het water liep uit de goten van de omliggende huizen via schuin naar beneden lopende buizen die werden ondersteund door de beelden. Het water kwam zo op het hoger gelegen plein. Hoe het water in de eronder liggende cisterne kwam is nu niet meer aangegeven. Via de twee putten kon de bevolking voortaan in droge tijden op een praktische manier aan water komen.


Lees meer over Piran op de website van het toeristenbureau van Portoroz en Piran: https://www.portoroz.si/en/discover/piran


Deze blog is onderdeel van een korte serie van vakantieblogs. Druk op de onderstaande knop om de vorige blog te lezen.

Een avontuurlijke expeditie naar een eeuwenoud aquaduct op Sicilië

Door Dániel Moerman

Het is heel bijzonder wanneer je toegang krijgt tot een plek waar de meeste mensen niet zomaar worden toegelaten. Tijdens mijn afgelopen vakantie op het Italiaanse eiland Sicilië mocht ik zo’n plek bezoeken. Het ging hierbij om niets minder dan het eeuwenoude Galermi aquaduct dat rond 480 v.C. gebouwd is onder de heerschappij van de Griekse tiran Gelon van Syracuse.

Historisch gezien diende dit aquaduct als voornaamste watervoorziening voor de Griekse stad Syracuse. Het bestaat voor het overgrote gedeelte uit tunnels die in de bergen zijn uitgehakt en waardoor het water naar beneden stroomt. Uiteindelijk komt dit water via onder- en bovengrondse kanalen terecht bij de stad. Het eindpunt van het aquaduct bevindt zich hier nog steeds bij de necropolis achter het oude Griekse theater waar de beroemde uitvinder Archimedes (c.a. 278-212 v.C.) zou zijn begraven. De bron van het aquaduct ligt echter op 30 kilometer afstand van de stad in de Hyblaeïsche Bergen. Het water uit dit gebergte stroomt via een aantal beken naar de ingang die ook wel de Calcinara wordt genoemd, verwijzend naar het hoge kalkgehalte in het water afkomstig van het kalksteen van de bergen. Omdat de Calcinara door kalkafzetting vaak geblokkeerd raakt, bestaat één van de voornaamste werkzaamheden vandaag de dag nog steeds uit het schoonmaken van deze ingang, wat ik deze zomer met eigen ogen mocht zien.

De Calcinara voordat de kalklaag bij de ingang is verwijderd (Foto: Dániel Moerman)

Om bij de Calcinara en de gangen van het aquaduct terecht te komen moet je echter wel eerst een voettocht van ruim 2 uur afleggen door een beschermd natuurgebied. Hiervoor is geen aangewezen pad, dus kun je het alleen bereiken met een gids. Omdat het aquaduct een beschermde status geniet mag ook niet zomaar iedereen het bezoeken. De vader van mijn Siciliaanse partner is echter afkomstig uit Solarino, het dorp vlakbij dit natuurgebied, en hij kende de werklieden die om de twee weken de Calcinara inspecteren en schoonmaken. Bij hoge uitzondering mocht ik samen met mijn vriendin daarom met deze werklieden mee om het aquaduct met eigen ogen te aanschouwen. Ik merkte daarbij ook goed waarom je een gids nodig hebt om er te geraken, want we moesten ons een weg banen door dik struikgewas met een kapmes. Daarnaast klommen we met primitieve ladders en touwen over enkele rotsen om uiteindelijk bij het aquaduct te belanden. Onderweg zag ik echter goed hoe helder het water was, al durfde ik het in tegenstelling tot mijn reisgenoten niet te drinken. Op bepaalde punten konden we ook goed een kijkje nemen  in de gangen die in de 5e eeuw v.Chr. met de hand werden aangelegd door Carthagese krijgsgevangenen. Nadat de dikke kalklaag bij de Calcinara was schoongemaakt zag ik hoe de waterstroom door deze gangen flink versnelde. Het aanbod om met een zaklamp door de gangen te kruipen wees ik echter af omdat de nauwe en lage gangen een nogal claustrofobische indruk op mij maakten.

Hoewel het aquaduct al lang niet meer als watervoorzienig van Syracuse geldt, wordt het water vandaag de dag nog steeds volgens negentiende-eeuwse afspraken over de regio verdeeld om landbouwgronden te irrigeren. De werklieden die zich om de 2 weken een weg door de wildernis banen werken ook nog steeds volgens deze afspraken. Het Galermi aquaduct is hierbij een zeer interessant voorbeeld van een eeuwenoude watervoorziening die nog steeds functioneert.

Van stad naar waterschap

Door Marit Steman

We kunnen het ons nu niet echt meer voorstellen, maar in de middeleeuwen kon men het oppervlaktewater in de steden, het water uit de grachten dus, gebruiken als drinkwater. Mensen gooiden echter steeds meer vuil in het water en na 1600 verslechterde de kwaliteit van het oppervlaktewater zo dat de grachten in steden vaak open riolen werden, voornamelijk in het westen. Hoewel steden een poging deden om het grachtenwater meer te verversen en men verbood om vuil in het water te gooien was het handhaven lastig, ook omdat de waterschappen niet altijd meewerkten. Natuurlijk waren er lokale verschillen in omstandigheden, maar zover nu bekend waren er een groot aantal steden waar het oppervlaktewater niet langer als drinkwater gebruikt kon worden.

De Goudsbloemgracht in Amsterdam, een visueel icoon van de vervuilde grachten. W. Hekking jr., ca. 1850. (Bron: Stadsarchief Amsterdam)

Nieuwe ideeën over hygiëne en vuil water ontstonden eind achttiende eeuw en ontwikkelden zich in de eeuw die volgde. Pas na verscheidene veranderingen in de politieke cultuur, economische bloei en de ontwikkeling van nieuwe technologieën werden deze ideeën opgenomen in de sociale kwestie en geconcretiseerd in de invoering van het rioolstelsel. Ook de samenwerking tussen de steden en de waterschappen verbeterde.

In de twintigste eeuw werd het kwaliteitsbeheer van het oppervlaktewater ontwikkeld, de ideeën bouwden voort op die van de negentiende-eeuwse hygiënisten maar werden ook gevoed door de nieuwe milieubewegingen. De geschiedenis van het oppervlaktewater had ook anders kunnen lopen. Het is uitgelopen op de stichting van afvalwaterzuiveringsinstallaties, maar dit had ook een stadsmestverwerkende industrie kunnen worden. Misschien waren de zuiveringsinstallaties dan wel niet bij de waterschappen terecht gekomen. Wilt u precies weten hoe we van drinkbaar grachtenwater naar de zuiveringsinstallaties van nu zijn gekomen? Het hele verhaal kunt u lezen in het artikel van Petra van Dam hieronder.