Waterexperts: Nederlanders hielpen in de drinkwatervoorziening in Indonesië

Door Marit Steman

Dat Nederlanders weten hoe ze om moeten gaan met water is al eeuwen bekend. Van het defensieve gebruik van een waterlinie in de Tachtigjarige Oorlog in de zestiende en zeventiende eeuw, tot het droogleggen van polders en het waternetwerk wat we nu hebben. Van de Nederlandse expertise wordt dan ook al tientallen jaren gebruikgemaakt wereldwijd. Zo ook in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw in Indonesië. De Verenigde Naties hadden de Waterdecade uitgeroepen, met als doel om iedereen wereldwijd van drinkwater te voorzien.

Voor het opzetten van een waternetwerk in Indonesië werd hiervoor de hulp van Nederlandse drinkwaterbedrijven ingeschakeld. PWN, het drinkwaterbedrijf in een groot deel van Noord-Holland, sloot zich aan bij dit twinning project – een samenwerking tussen twee bedrijven – met een drinkwaterbedrijf in Indonesië: PDAM Kodya Bogor in 1987. Al bij het aangaan van dit project heeft vooropgestaan dat de hulpverlening op lange termijn ook ten goede zou komen van de drinkwatervoorziening van het landelijke gebied rondom de stad Bogor. In 1990 is dan ook een samenwerkingsovereenkomst gesloten met een tweede bedrijf, het waterbedrijf van de Kabupaten Bogor. De drinkwatervoorziening hier was nog maar weinig ontwikkeld, slechts 6% van de ongeveer drie miljoen inwoners was op het drinkwaternetwerk aangesloten.

Kaart van West Java (bron)

Leo Geldof, toentertijd districtshoofd bij PWN, werd tussen 1987 en 2001 meerdere malen voor een aantal weken uitgezonden naar Indonesië in het kader van de samenwerking met beide bedrijven. In het Coping with Drought project is omgaan met water natuurlijk van groot belang, en het is dan ook interessant om te kijken hoe de Nederlandse expertise wordt ingezet in het buitenland. In dit interview kunt u lezen over de ervaringen van Leo in Indonesië.

Wat was het doel van het twinning project in Indonesië en hoe bent u daar terecht gekomen?

“Het uitroepen van de Waterdecade door de Verenigde Naties begin jaren tachtig werd door PWN met instemming begroet. Het recht op betrouwbaar drinkwater voor alle wereldbewoners mocht op onze steun rekenen. PWN wilde graag een steentje bijdragen en ging op zoek naar een partner waarmee een twinning op kon worden gezet met als doel de uitwisseling van kennis in de breedste zin van het woord en ondersteuning bij technische problemen op het drinkwatergebied.

“Gezien de oude banden viel het oog op Indonesië en in het bijzonder op het stadsbedrijf Bogor, PDAM Kodya Bogor. In 1987 werd een overeenkomst getekend; bij de ondertekening zei de directeur van PWN, de heer Sprey: “ Het doel van de twinning is duidelijk, PDAM Bogor in staat stellen in een versneld tempo de kwaliteit van de drinkwatervoorziening door middel van productie en distributie van water op een hoger niveau te brengen, zodat gedurende 24 uur per dag over drinkwater wordt beschikt. Het is onze gezamenlijke taak dat tot uitvoering te brengen. Wij van het PWN willen u daar graag bij helpen.”

“Hoe ben ik hierbij betrokken geraakt? Welnu, als districtshoofd was ik al ruim tien jaar werkzaam binnen de afdeling distributie. Dan komt er moment dat je een extra uitdaging en motivatie nodig hebt om met plezier en inzet te blijven functioneren.

“Binnen PWN werd een oproep geplaatst voor medewerkers die een bijdrage wilden leveren om het doel van de twinning te bereiken. Na een paar gesprekken kreeg ik het vertrouwen van de directie om uitgezonden te worden naar Indonesië, een uitdaging die ik met beide handen heb aangegrepen en die mij veel heeft gebracht. De wereld ging open, de aandacht voor mens en cultuur was een geweldige ervaring.”

Merkte u verschil in hoe de Indonesiërs omgingen met water vergeleken met de Nederlanders?

“De drinkwatervoorziening in Nederland is van een hoog niveau. Destijds waren er nog geen problemen met de hoeveelheid te produceren en te distribueren drinkwater. Alhoewel de eerste geluiden werden gehoord dat een vermindering van het verbruik in de toekomst wellicht noodzakelijk zou worden. Nederland leefde in overvloed en ging in het algemeen niet erg bewust om met het kostbare drinkwater: lang en veel douchen en tuinbesproeiing.

“Zoveel anders was het in Indonesië. PDAM beschikte over drie buiten de stad gelegen productieëenheden voor het drinkwater, die met bronwater werden gevoed, onvoldoende voor de snelgroeiende stad Bogor. Dat betekende geen onbeperkte levering van drinkwater gedurende de gehele dag. De inwoners van Bogor vulden dan ook de “mandibakken” (betegelde bakken waarin schoon water zat, wat je bij het baden eruit schept en over je heen giet, red.) en kleine hooggeplaatste reservoirs met drinkwater. Zuinig omgaan met het kostbare water was een “must”.”

Een openbaar tappunt (Foto: Leo Geldof)

Voordat de waternetwerken werden aangelegd waren mensen vaak gratis water gewend. Hoe werd er gekeken naar de watermeters en het feit dat er nu betaald moest worden voor het water?

“Op het moment dat PWN met de twinning in 1987 begon waren de huizen en bedrijven in Bogor die een aansluiting hadden op het drinkwaternet reeds voorzien van een watermeter. Het meten van de verbruikte hoeveelheid heeft een positief effect op de afname door de klant.

“Dat geldt voor zowel Indonesië als Nederland. De geldmiddelen die daaruit voortvloeien zijn noodzakelijk voor de instandhouding en uitbreiding van de bedrijven. Het viel ons op dat in Bogor relatief veel aan voorlichting gedaan werd richting de klant en over het hoe en waarom van watermeters. Het was een geaccepteerd fenomeen.”

Boven: Het repareren en testen van watermeters. Onder: Aanleg transportleiding (Foto’s: Leo Geldof)

Waren er vooroordelen over hoe de Indonesische medewerkers met de systemen om zouden gaan die in de loop van het project bijgesteld moesten worden?

“Het onderhouden van de systemen was niet het sterkste punt in Bogor, trouwens niet alleen daar. Onderhoud is essentieel voor de instandhouding van gebouwen, installatie, gereedschappen e.d. Op dit punt ondervonden we in eerste instantie enige weerstand. Maar door gesprekken, voorlichting en gezamenlijke aanpak is dat in positieve zin veranderd en is daarin een enorme stap voorwaarts gezet. Het vergde veel geduld en tact met uiteindelijk een positief resultaat.”

Adviseerde PWN ook welke materialen er gebruikt moesten worden? En werden deze in Nederland geproduceerd of in Indonesië zelf?

“De insteek van onze aanwezigheid was van begin af aan: advisering. Deze advisering vond plaats op een aantal gebieden: productie, distributie, waterkwaliteit, watermeters, automatisering en public relations. Voor al deze gebieden hadden we een gereedschapskist beschikbaar met kennis en hulpmiddelen. Het is nooit de bedoeling geweest om het Indonesische bedrijf iets op te dringen, zij gaven aan wat ze wel wilden en wat niet.

“Ten aanzien van de advisering van materialen was het principe: aanschaffen in Indonesië, de meeste materialen werden ook daar geproduceerd en waren goedkoper dan in Nederland. Een enkele keer werden specifieke gereedschappen vanuit Nederland naar Indonesië gestuurd en als gift geschonken.”

Medewerkers van PWN gingen natuurlijk naar Indonesië om kennis over te brengen, maar was er ook een leereffect de andere kant op?

“Twinning betekent geen één richtingsverkeer. Leren van elkaar dat was het doel. Dat had dan vaak te maken met de intermenselijke verhoudingen, respect voor elkaar hebben, het minder gehaast zijn. In de ogen van de mensen in Indonesië maken wij ons overdreven druk om allerlei zaken. Een Indonesische collega formuleerde het aldus: jullie doen alles “in a hurry”, wij doen het meer “plan plan”. Het eerste wat we moesten leren was het niet projecteren van de Nederlandse standaard op de Indonesische cultuur.”

Overleg met de directie (Foto: Leo Geldof)

Nederland heeft een ingewikkelde geschiedenis met Indonesië. Toen u daar heen ging was het natuurlijk al een aantal jaren sinds de dekolonisatie, maar was er nog antipathie tegen de Nederlanders? 

“Van antipathie heb ik niets gemerkt. Het verleden ligt achter ons, het heden en de toekomst zijn van belang. In persoonlijke gesprekken werd mij dit verzekerd. We hebben daar gewerkt op basis van vertrouwen en gelijkwaardigheid. Dat geeft nog steeds een goed gevoel.”

Publicatie Dániel Moerman in Leidschrift

Onze promovendus Dániel Moerman heeft een eerste artikel over zijn onderzoek gepubliceerd in het academisch historisch tijdschrift Leidschrift. Zijn artikel “‘Och wod het toch een lutie regenen.’ Droogte en waterschaarste in laatmiddeleeuws en vroegmodern Europa, een geschiedenis van klimaatverandering en sociale veerkracht,” en de andere artikelen in de uitgave kunnen digitaal worden aangeschaft via de volgende link:

https://www.leidschrift.nl/product-page/36-2-veerkracht-en-kwetsbaarheid

Lezing Georg Stöger: Urban Environmental History

Het Environmental Humanities Center en onderzoeksinstituut CLUE+ organiseren een lezing van Georg Stöger over ‘urban environment’ in de achttiende en negentiende eeuw. De lezing zal worden gehouden in het Engels.

Voor meer informatie en het aanmeldformulier, zie de website van het Environmental Humanities Center:

https://environmentalhumanitiescenter.com/2021/02/09/entanglements-georg-stoger-on-urban-environmental-history/

In de ban van natuurijs: winterpret en winter droogte

Door Marit Steman

Midden in de huidige Coronapandemie bood februari een lichtpuntje: natuurijs. Voor een week was Nederland in de ban van het schaatsen op natuurijs. Na sneeuw en een code rood begon het dan eindelijk goed te vriezen. Er werd water opgespoten voor ijsbaantjes op weilanden. Vaarverboden werden ingevoerd en toen in Amsterdam een bootje per ongeluk toch de grachten in voer en het ijs stuk maakte, stuitte dit op veel kritiek. Het natuurijs is tegenwoordig niet meer zo normaal als dat het vroeger was, en het mooie weer leverde fantastische plaatjes op. Maar hoe ging men vroeger om met strenge winterkou? Een bijzonder probleem was drinkwater; waar haalde men dit vandaan als regentonnen en natuurlijke waterbronnen dicht vroren?

Foto’s door Peter Rumler

Hoewel het ijs ook vroeger voor plezier zorgde – er zijn opgegraven middeleeuwse schaatsen gemaakt van dierenbotten en vele schilderijen met ijsgezichten – veroorzaakte het ook problemen. In Nederland maakte men gebruik van regentonnen, oppervlaktewater, en grondwater voor de drinkwatervoorziening. Met name de arme mensen waren afhankelijk van het oppervlaktewater. Bij flinke kou vroren grachten en rivieren echter dicht, en kon de kou dus droogte veroorzaken. Veel steden hadden dan ook regels en andere voorzieningen waarmee er toch voor drinkwater kon worden gezorgd.

In Deventer, bijvoorbeeld, bestonden in de negentiende eeuw regels dat bij vorst pompen beschermd moesten worden tegen de kou door het inpakken met mest. In de achttiende eeuw werd in Zutphen verwacht dat de pompen regelmatig een aantal slagen kregen als het koud was, mogelijk om het water in gang te zetten zodat het niet zou bevriezen. In het Gelderse stadje Lochem moesten in de vroegmoderne tijd alle burgers onder andere een ijzeren haak in huis te hebben. Deze kon gebruikt worden om het ijs op de grachten stuk te slaan of schotsen weg te halen. Een stadsgracht die was aangelegd ter bescherming van de stad was van weinig nut als hij dichtvroor, dan kon de vijand er gewoon overheen lopen.

‘Winter Vreugde op den Amstel.’ Prent van Tieleman van der Horst, ca. 1730-1736. Bron: Stadsarchief Amsterdam.

Ook in achttiende-eeuws Amsterdam vormde strenge vorst een probleem. Het water in de grachten was te vuil om als drinkwater te gebruiken, dus de stad was aangewezen op water geïmporteerd uit Utrecht; het water werd gehaald uit de Vecht. De brouwers, die zelf veel water nodig hadden voor het brouwen van bier, beschikten over de grootste groep schepen die water naar Amsterdam bracht. Sinds 1651 gebruikten zij een ijsbreker om de grachten open te breken zodat de boten met water de stad in konden varen, en betaalden dit grotendeels zelf. Hoe zwaarder de vorst, en dus hoe dikker het ijs, hoe hoger de kosten van de ijsbreker en de vele paarden die nodig waren om de ijsbreker te trekken waren. De brouwers konden echter niet zomaar stoppen met water importeren, de burgers verwachtten dat zij drinkwater van de brouwers konden kopen. In 1786, na een extreme winter een paar jaar eerder, nam het stadsbestuur de ijsbreker van de brouwers over.

Vorst was vroeger dus niet alleen pret, maar kon ook voor droogte zorgen als de pompen, putten, pijpleidingen en andere waterbronnen dicht vroren. Waar men in Nederland nu boos wordt als het ijs in de grachten per ongeluk wordt stuk gemaakt, werd er in de vroegmoderne tijd verwacht dat de grachten en wateren actief open werden gehouden voor de watervoorziening en bescherming van de stad.


Bronnen

Prop, G. De historie van een kleine landstad: Lochem. 1967.

Van Dam, Petra J.E.M. ‘Winter, Steam, Ice. Environmental Perspectives on Historical Transitions of Water,’ Nova Acta Leopoldina NF 98 360 (2009) 29-43.

Van Roosbroeck, Filip. ‘The Water Supply of Early Modern Amsterdam: A Drop in the Bucket?’ TSEG 16:2 (2019) 71-91.

Reglement op het beheer der pompen en putten, binnen de gemeente Deventer. Deventer, 1836.

Regionaal Archief Zutphen, Inventaris van het oud-archief van de stad Zutphen (1206-1815), nummer toegang 0001, inv.no. 37, Memoriën- en resolutiënboek van de stad Zutphen (1753-1755).

Het Coronavirus, klimaat en droogte: hebben ze met elkaar te maken?

Door Dániel Moerman

Wie in deze enorme pandemie zich afvraagt of de opmars van SARS-CoV-2, oftewel het Coronavirus, iets te maken heeft met klimaatverandering, krijft van de World Health Organisation (WHO) het antwoord dat hier nog geen duidelijke aanwijzingen voor zijn. Maar volgens de Zweedse sociaal-ecoloog Andreas Malm bestaat er wel degelijk een verband tussen klimaatverandering en de uitbraak van het huidige Coronavirus. Sterker nog, de toenemende intensiteit en frequentie van lange periodes van droogte spelen volgens hem hierbij een belangrijke rol.

In zijn meest recente boek koppelt Malm de klimaatcrisis van de afgelopen decennia aan het ontstaan van epidemische ziekten, waarbij er een verband lijkt te bestaan met droogte. Vleermuizen, waaraan de eerste verspreiding van het Coronavirus wordt toegeschreven, lijden onder het toenemende aantal droogteperioden in de laatste decennia. Vrouwelijke vleermuizen zijn bijvoorbeeld steeds grotere afstanden gaan afleggen op zoek naar water, omdat veel natuurlijke waterbronnen in tijden van droogte steeds meer opdrogen. Hierdoor zijn, vooral in tropische gebieden, vleermuizen vaker gedwongen om op zoek te gaan naar alternatieve waterbronnen. Deze worden vaak gevonden bij boerderijen, waar de vleermuizen zich dan mengen onder het vee en de andere dieren.

Droogte in combinatie met bosbranden leidde in Maleisië eind jaren 90 zo tot een uitbraak van het Nipah-virus onder varkens. De uitbraak van het virus was toen beperkt – er stierven slechts 105 personen – maar het leidde wel tot een complete ineenstorting van de varkensindustrie in het land. De grote Afrikaanse Ebola-uitbraak in 2014 vond eveneens plaats na een zeer langdurige periode van droogte, net als de uitbraak van twee eerdere Coronavirussen: het SARS-virus in de Chinese provincie Guangdong in 2002, en het MERS-virus in het Midden-Oosten in 2012. Beide virussen worden toegeschreven aan vleermuizen, die het virus aan andere dieren zoals civetkatten en kamelen hebben doorgegeven. In de Guangdong ging destijds een ongekende periode van droogte vooraf aan de SARS-epidemie, net zoals in het Midden-Oosten een lange periode zonder regen de uitbraak van het MERS-virus inluidde.

Ook in Wuhan, de bakermat van het Coronavirus, was er voorafgaand aan de grote uitbraak sprake van grote droogte. Volgens de hypothese van Malm zou het zeker mogelijk kunnen zijn dat Coronavirussen goed gedijen bij droog weer en weinig vochtigheid. Daarbij komt nog het feit dat vleermuizen als voornaamste ziekteverspreiders steeds vaker gedwongen worden alternatieve leefomgevingen dichter bij mens en dier te zoeken. Hoewel de hypothese van Malm vooral als hypothese moet worden opgevat, en dus niet als conclusie, is er wel degelijk een verband tussen klimaatverandering en de toenemende kans op de verspreiding van epidemische ziektes. Dit wordt ook ondertekend door organisaties als de WHO en toonaangevende onderzoeksinstituten zoals Harvard University.

Dit fenomeen is echter geenszins nieuw. Perioden van intense en lang-aanhoudende droogte hebben ook in het verleden een belangrijk verstekend effect gehad bij het ontstaan en de verspreiding van grote epidemieën. Recente onderzoeken hebben aangetoond dat bepaalde epidemieën in het verleden – zoals de pest, de pokken, verschillende soorten koortsen, en met name dysenterie – in grote mate samenvielen met extreme perioden van droogte. In Frankrijk alleen al stierven na een lange periode van droogte in 1719 rond de 450.000 mensen aan de gevolgen van dysenterie, wat destijds ongeveer twee procent van de totale bevolking was. Voor de enorme ‘megadroogte’ van 1540, toen het in heel Europa exceptioneel droog was, wordt het aantal dysenterie-slachtoffers echter op ruim een miljoen geschat.

Ook één van de meest gevreesde epidemische ziektes van de premoderne periode, de pest, kwam vaak voor na lange periodes van droogte. In Engeland correspondeerde bijvoorbeeld veel pestepidemieën in de zestiende en zeventiende eeuw met intense droogteperiodes. Gedurende de achttiende eeuw, toen de pest in Europa afnam, kwamen bepaalde koortsepidemieën, maar ook de pokken, vaak voor tijdens en na droogte. De verklaring die historici hiervoor geven is soms buitengewoon eenvoudig: extreme droogte leidt op veel plekken vaak tot een tekort aan schoon water, waardoor mensen vaak in wanhoop hun toevlucht nemen tot onzuivere waterbronnen. Vaak ging dit om stilstaand en laag water, waarin verschillende soorten ziektekiemen bijzonder goed toeven. Daarnaast heeft warm en droog weer ook een effect op ziekteverspreiders, zoals verschillende soorten dieren en insecten.

Afgaand op de hypothese van Malm, en aan de hand van historisch bewijs, is het niet onaannemelijk dat droogte als een gevolg van klimaatverandering een rol heeft gespeeld bij de verspreiding van het Coronavirus. Hier moet echter wel de kanttekening worden geplaatst dat Malm ook andere factoren, zoals grootschalige ontbossing en de wereldwijde handel in exotische dieren als belangrijk beschouwt naast klimaatverandering en droogte. Wat daarbij opvalt is dat de WHO klimaatverandering en droogte niet als een directe reden ziet voor de verspreiding van het Coronavirus, maar wel een zeer grote rol toekent aan het gebrek aan schoon water op veel plaatsen. Volgens het WHO heft ruim tachtig procent van de wereldbevolking regelmatig te maken met een tekort aan schoon water voor consumptie en persoonlijke hygiëne. Voor ons is het dringende advies om vaak de handen goed te wassen (dus ruim 20 seconden) nog een simpel gegeven, maar voor een groot deel van de wereldbevolking is dit dus afhankelijk van de onzekere aanwezigheid van schoon water.

De WHO schrijft dat deze wereldwijde waterschaarste een gevolg is van klimaat verandering. Is klimaatverandering dan ook niet, weliswaar indirect, een belangrijke reden voor de verspreiding van het Coronavirus? In het verleden speelde een tekort aan schoon water als gevolg van droogte immers een belangrijke rol bij de verspreiding van ernstige epidemische ziektes. Dit zou voor ons een reden kunnen zijn om het toenemende aantal droogteperioden en afwezigheid van schoon water voor mens en dier nog eens kritisch onder de loep te nemen.

Verder lezen

Garnier, Emmanuel. “Historic drought from the archives: beyond the instrumental record.” In Drought, Science and Policy, eds. A. Iglesias, D. Assimacopoulos en H.A.J. van Lanen. Hoboken, NY: Wiley, 2019.

Malm, Andreas. Corona, Climate, Chronic Emergency. War Communism in the Twenty-First Century. Londen: Verso Books, 2020.

Pfister, Christian. “When Europe was Burning. The Multi-season Mega-drought of 1540 and Arsonist Paranoia.” In Historical Disaster Experiences. Towards a Comparative and Transcultural History of Disasters Across Asia and Europe, ed. Gerrit-Jan Schenk, 155-185. Cham: Springer, 2017.

Waterroom en andere historische lekkernijen

Door Milja van Tielhof

Tijdens de feestdagen is lekker eten belangrijk en dat was in de vroegmoderne tijd niet anders. Bij de voedselbereiding is vaak water nodig, wat bij een waterhistoricus de vraag doet opkomen hoe daarin werd voorzien vóór de aanleg van de waterleidingen. Welk water vonden mensen lekker? En, nog belangrijker misschien, wat vonden ze veilig genoeg voor menselijke consumptie? Filterden ze het voor verwerking, kookten ze het? We weten nog weinig van de dagelijkse omgang met water in het verleden en dat geldt zeker voor het gebruik in de keuken.

Regenwater werd in de vroegmoderne tijd aangeprezen als het beste water om thee van te zetten. Afbeelding: Tekening van theedrinkend gezelschap, door Nicolaes Aartman, 1723-1760 (bron: Rijksmuseum Amsterdam).

Ik vond in een receptenboek uit 1737, bestemd voor het keukenpersoneel van een aanzienlijke Utrechtse familie, een lekkernij geheten “waterroom.” Daarvoor is nodig: citroensap, suiker, stijf geslagen eiwitten en water. Interessant is dat het water nauwkeurig werd omschreven, namelijk als “gekookt koud reegen water”: regenwater dat eerst gekookt was en daarna afgekoeld om koud te verwerken in het recept. Van vier eetlepels suiker, vier eiwitten, een hoeveelheid citroensap zoals in een chocoladekop past – waarvan de grootte destijds algemeen bekend was – en evenveel water, kan volgens recept nummer 125 deze traktatie gemaakt worden.

De ingrediënten van waterroom.

Zodra ik genoeg regenwater had opgevangen kon ik het uitproberen. Na het kloppen van de eiwitten, het mengen van de ingrediënten en het langzaam verwarmen ontstond een soort citroengelei. Dat leek me niet helemaal de bedoeling, wat ongetwijfeld te wijten was aan mijn gebrekkige ervaring met vroegmodern koken en niet aan het regenwater. Versierd met een amandel kan het eventueel nog door als kerstdessert.

Waterroom of citroengelei?

Belangrijk is dat het recept laat zien hoe zorgvuldig mensen hun keuzes maakten als het om water ging dat ze binnenkregen: regenwater in dit geval, en bovendien gekookt. Het recept is bijzonder in zijn gedetailleerdheid; voor velen was het dagelijkse watergebruik immers zo vanzelfsprekend, dat het niet de moeite waard was om nauwkeurig te beschrijven. Het recept voor waterroom smaakt in dat opzicht naar meer!

Utrechtse fietstocht met het onderzoeksteam

Door Marja Heier en Joëlle Koorneef

Op woensdag 25 november, een van de laatste zonnige dagen van het jaar, fietste het onderzoeksteam van Omgaan met droogte door Utrecht. Door de corona-maatregelen had het team elkaar lange tijd niet anders gezien dan op een beeldscherm, en dus was de buitenactiviteit op gepaste afstand perfect om weer eens gezamenlijk over de geschiedenis van drinkwater te praten.

Het onderzoeksteam v.l.n.r.: Petra van Dam, Dániel Moerman, Marja Heier, Milja van Tielhof

De fietstocht begon op de Mariaplaats tegenover het Utrechts Conservatorium, de plaats waar vroeger de Mariakerk had gestaan. In 1352 werd op de Mariaplaats een put gegraven, in 1616 na demping vlak daarbij een put met pomp en deze werd alom bekend vanwege de goede smaak van het water. De pomp is naar zijn tegenwoordige plaats, iets verderop op de Mariaplaats, gebracht in 1845[1] (op de pomp zelf staat echter 1844). Deze historische plek was de perfecte locatie voor een groepsfoto.

Verder fietsend stopten we aan het einde van de Springweg bij een pomp op het Geertekerkhof. Fietsend langs De Oudegracht werd er kennis gedeeld over de geschiedenis van drinkwater in Utrecht. Aanvankelijk haalde men water met een emmer uit gracht of sloot, zowel om te drinken als om te wassen en te schrobben.[2] Het water was toen redelijk zuiver, gezien allerlei vissoorten die daarin zwommen. In de 15e eeuw liet het stadsbestuur een keur uitvaardigen om vervuiling van het grachtwater tegen te gaan. Tot de 17e eeuw voldeden oppervlaktewater en regenwater, maar er kwamen ook meer gemeenschappelijke waterputten. Door toename van bevolking en vervuiling liet het stadsbestuur openbare waterputten dichtmetselen en er een houten pomp op zetten. Uit 1522 is een schriftelijk bewijs bekend in verband met aankoop benodigdheden hiervoor. In het begin van de 17e eeuw werden de meeste pompen in Nederland geplaatst, in Utrecht in verhouding minder pompen dan elders in Nederland, omdat grachten en Kromme Rijn nog voor drinkwater werden gebruikt.

Er was tijd voor een korte stop bij het Ledig Erf, een kruispunt van waterwegen, waarna we doorfietsten naar Oud-Amelisweerd. Na een wandeling op dit prachtige landgoed keerden we weer terug naar het centrum van Utrecht. Wat een prachtige, actieve dag voor teambuilding.


[1] Hoogland, R.A. (Sr), Kroniek van Utrecht: Beknopte Geschiedenis van de Domstad in Jaartallen, Utrecht (Spectrum) 1978, p. 20. 

[2]  Bokma, J.G., ‘Het befaamde Utrechtse pompwater’ vereniging Oud-Utrecht december 1999, pp. 125-130. 

Omgaan met droogte lezing voor Partij voor de Dieren Rotterdam

Op 23 november 2020 waren onze onderzoekers Petra van Dam en Dániel Moerman te gast in een Zoom-lezing georganiseerd door werkgroep Rotterdam van Partij voor de Dieren. Deze interne lezing werd door 24 leden van de groep bezocht, die allemaal geïnteresseerd waren in droogte als gevolg van klimaatverandering en hoe men in het verleden met droogte omging. 


De lezing ‘Omgaan met droogte: heden, verleden – en toekomst?’ begon met introductie van het onderzoeksproject door Petra van Dam. Zij stelde maatschappelijke weerbaarheid tijdens droogte centraal als één van de belangrijke onderzoeksonderwerpen en toonde hoe sociale verschillen zorgden voor diverse bronnen van water. Kortom: wie meer geld had, kon de beste kwaliteit water in huis halen. 

Nadat Petra van Dam vooral over drinkwater sprak, zorgde Dániel Moerman voor een korte definitie van droogte en presenteerde de meest voorkomende oorzaken ervan en diverse strategieën hoe ermee om te gaan. Met zijn verhaal over de gevolgen voor watertekort voor dieren zorgde hij voor de link met de politieke partij, wat gewaardeerd werd. 

Na de twee korte lezingen werden de gasten verdeeld in meerdere breakout rooms, waar ze in groepjes vragen bedachten voor de vragenronde. Zo ontstonden onder andere interessante vragen over zeewater dat omgezet kan worden naar drinkwater, Amsterdams bier dat men brouwt van opgevangen regenwater, en Rotterdamse groenblauwe daken die regenwater opvangen.

‘is goet gevonden, bij trommeslag te laten publiceren’ – Het bekendmaken van drinkwater besparende maatregelen in de vroegmoderne periode

Door Dániel Moerman

Of er sprake is van droogte wordt in Nederland bepaald door het welbekende KNMI.  Sinds 1854 fungeert dit instituut als de voornaamste informatiebron wat betreft meteorologische informatie over de huidige en toekomstige weersomstandigheden. Daarbij horen soms ook  waarschuwingen omtrent extreem weer, die dan in de welbekende kleurcodes worden aangeduid van groen, geen gevaar, tot rood, ernstig gevaar. Volgens het KNMI is er sprake van droogte ‘als er gedurende langere tijd minder regen valt dan normaal in combinatie met grote verdamping’. Dit wordt nauwkeurig bijgehouden en is raadpleegbaar via de zogeheten ‘droogtemonitor’.

De droogtemonitor van de maand juli 2020 die duidelijk laat zien in welke gebieden er minder neerslag is gemeten (bron: KNMI).

Het KNMI weet uit haar onderzoeken dus goed in welke regio’s van ons land droogte te verwachten valt. De maatregelen die daarop volgen worden echter niet door het KNMI bedacht. Dit wordt gedaan door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, die in samenwerking met het RIVM sinds de extreem droge zomer van 2018 aan een ‘escalatiesysteem drinkwaterbeperking’ werken. Aan dit systeem wordt sinds eind 2019 gesleuteld, maar bekend is dat het systeem gebaseerd is op protocollen van landen die vaker met droogte en daaropvolgende drinkwatertekorten te maken hebben, o.a. Frankrijk, Spanje en Australië. Het escalatiesysteem bestaat uit 4 fasen, van de normale situatie (fase 1) tot de crisissituatie (fase 4). In fase 1 gelden geen beperkingen omtrent het gebruik van drinkwater, maar in fase 2 wordt burgers opgeroepen drinkwater te besparen in de ‘piekuren’,  dat wil zeggen: de avonden en ochtenden. Vanaf fase 3 gaan bepaalde verboden in, zoals een verbod op het vullen van privé-zwembaden en het besproeien van tuinen. In de crisissituatie, fase 4, mag drinkwater uitsluitend nog voor consumptie, gezondheidsdoeleinden en persoonlijke hygiëne worden gebruikt. Vandaag de dag worden dit soort mogelijke maatregelen natuurlijk via de gebruikelijke nieuwsmedia verspreid, zoals het welbekende televisiejournaal de radio of krant. Daarbij zal iedereen met een mobieltje de ‘buzz’ zien van zijn of haar nieuws-app met het nieuws over de ingaande maatregelen. En hoewel de laatstgenoemde nieuwsmedia natuurlijk moderne fenomenen van de laatste 50 jaar zijn, geldt dat absoluut niet voor de maatregelen omtrent droogte en drinkwaterschaarste.

In de vroegmoderne periode werden al een hele reeks maatregelen genomen in tijden van droogte, wat dan wel meer op lokale schaal of stedelijk niveau gebeurde. Deze maatregelen werden vaak afgekondigd via stadsomroepers en via plakkaten die werden opgehangen op openbare plekken. Vaak waren dit ook gemeenschappelijke putten en/of pompen, die naast watervoorziening ook een belangrijke sociale functie hadden en waar mensen elkaar vaak ontmoetten. De maatregelen die genomen werden in tijden van droogte konden te maken hebben met het voorkomen van branden, een zeer gevreesd fenomeen in de vroegmoderne periode, waarbij het maken van vuren beperkt werd, stro en andere brandbare materialen goed opgeborgen moesten worden, en mensen tonnen met water moesten inslaan in hun huizen voor het ergste geval er een brand zou uitbreken. Er werden echter ook actieve maatregelen afgekondigd om water te besparen door verminderd gebruik, die erg veel gelijkenis vertonen met de maatregelen die we nu nog steeds nemen.

Afbeelding: Tekening van een 17eeeuwse stadsomroeper door Gerard ter Borch, c.a. 1630-1635 (bron: Rijksmuseum) 

In Zutphen werd in september 1753 bijvoorbeeld ‘Ter occasie van de tegenwoordige laagte van het water op den IJsel en Berkel en daar door veroorzaakte verlamminge der meeste pompen en putten ’ afgekondigd dat ‘is goet gevonden, bij trommeslag te laten publiceren dat niemand, wie hij oock sij, enig water uit de gemene pompen en putte zal mogen halen, dan allen zo veel hij tot noodzackelijk onderhande zijnen huishoudinge zal nodig hebben ’. Het stadsbestuur van Zutphen had dus besloten om via een plakkaat burgers te verbieden meer water te gebruiken dan zij nodig hebben voor hun dagelijkse onderhoud. In hedendaagse termen zou dat ‘fase 4’ betekenen, een ernstig watertekort dus. In het nabijgelegen Deventer werden burgers in april 1790 en oktober 1791 door ‘tegenwoordig sterke droogte’ verzocht om zo min mogelijk ‘binnen of buiten ’s huis te waschen of hunne stoepen en straten met water te schrobben’.

De maatregelen waar we dus mee te maken gaan krijgen bij toekomstige perioden van sterke droogte en drinkwatertekorten lijken dus op bepaalde manieren zeer veel op de maatregelen waar men in de vroegmoderne periode mee te maken kreeg.

Regenval na een periode van droogte, reden voor een feest?

Door Dániel Moerman

Op mensen met een moestuin, landbouwers en hydrologen na zouden weinig mensen vandaag de dag een gat in de lucht springen als er na een tijd van warm en droog weer ineens een enorme lading regen uit de lucht komt vallen. Laat staan dat er een massale feestvreugde uitbreekt en mensen opgelucht elkaar in de armen springen van blijdschap bij het voelen van de eerste regendruppels. Dat was wel anders in de vroegmoderne Nederlanden.

In het Polyte Boecken van de stad Gent uit de 17e eeuw wordt vermeld dat op vrijdag 29 april 1667 ‘hier tot Gent en omliggende gebieden’ sprake was van ‘grote vreugde en blijdschap over het vallen van de langgewenste regen’. De kroniekschrijver merkte hierbij op dat ‘de aarde nu vier weken lang droog en zonder vochtigheid is geweest’ wat ertoe had geleid dat boomgaarden en hoven alsmede ‘het gezaaide droog en zwart was van de dorst. Toen de regen na deze lange periode van droogte weer begon te vallen was er sprake van ‘plezier en vreugde om de dunne, zoete maar rijke regen te zien vallen’.

Het schilderij Boerenkermis door David Terniers ca. 1665 (bron: Rijksmuseum)

De geanimeerde beschrijving van de kroniekschrijver laat duidelijk zien waarom men destijds in en om Gent zeer blij was met de regenval.  De gewassen van lokale boeren stonden er belabberd bij en misoogsten konden in de vroegmoderne periode tot een gebrek aan voedsel en hogere prijzen leiden. Aan het einde van zijn verslag van de feestelijkheden benoemt de schrijver dan ook dat ‘het landvolk [de boeren] zich sterk beklagen dat zij voor hun granen zo weinig geld ontvangen dat zij amper hun pachten kunnen betalen’. Hoewel de periode van droogte en watertekort dus voorbij was, waren de feestelijkheden wellicht iets te voorbarig. De economische gevolgen dan de 4-wekenlange droogte waren voor de boerenbevolking namelijk groot, en voor hen was de crisis met de eerste regendruppels nog niet afgewend.

De droogte van april 1667 was echter niet het gevolg van extreem warm weer.  Volgens weerhistoricus Jan Buisman was de maand april in dat jaar bitterkoud, droog en schraal. In Den Haag werd er medio april ook geklaagd over het ‘schraele weer, waerdoor noch loff noch gras groeyt’. De maand mei blijft het koud en droog, volgens sommigen zelfs vergelijkbaar met het weer rond kerstmis, maar valt er wel af en toe een beetje regen. Pas rond begin juni wordt het warmer, waarbij de temperatuur flink toeneemt en er gelijk een nieuwe periode van droogte aanbreekt.

Het is echter goed om op te merken dat perioden van droogte ook in koude tijden konden plaatsvinden, terwijl we vandaag de dag droogte toch vaak associëren met lange perioden van warm weer. De 17e eeuw was daarbij één van de koudste perioden van de zogeheten ‘Kleine IJstijd’, de lange periode (ca. 1300-1870) waarbij de gemiddelde temperatuur op aarde daalde met betrekking tot de warmere periode ervoor. Hoewel er door klimaathistorici nog steeds gedebatteerd wordt over de Kleine IJstijd zijn velen het er wel over eens dat de vroegmoderne periode kan worden gekenmerkt door extremere weersomstandigheden, variërend van extreme kou tot uiterst warm weer. In beide gevallen konden echter lange perioden van droogte aanbreken, met soms desastreuze gevolgen. Om die reden was regenval dus een reden voor grote vreugde en blijdschap, hoewel deze vreugde soms maar van korte duur was.