
Goed nieuws: de rapporten van het archeologisch onderzoek naar de drinkwatervoorziening zijn klaar en voor iedereen toegankelijk!
We hebben de stedelijke archeologische diensten van Deventer en Amsterdam gevraagd een studie te maken van wat zij hebben opgegraven aan objecten gerelateerd aan de drinkwatervoorziening. Voor Amsterdam was er al overzichtsonderzoek over waterkelders van de dienst en van een van onze eigen onderzoekers, en dit ging vooral om putten, voor Deventer ging het om putten en waterkelders.
De aanleiding was dat wij via teksten zo slecht toegang krijgen tot private putten. Wat privé is, komt immers niet in administraties van overheden voor. Daarover hoeft bijvoorbeeld geen belasting betaald te worden.
Het is nu duidelijk dat er in Deventer zo veel putten waren, dat we wel kunnen zeggen dat vrijwel ieder huis toegang tot een put had. Dit bevestigt (gelukkig) ons vermoeden. Als de stad geheel afhankelijk was geweest van de enkele tientallen publieke waterputten die bekend waren en die Dániel Moerman in zijn proefschrift behandelt, dan was het treurig geweest.
Amsterdam had ook heel wat putten, eigenlijk meer dan verwacht, maar het patroon is wat vlekkerig. Het is goed te zien dat sommige plekken daarvoor geschikter waren dan andere. We wisten al uit het onderzoek van Bob Pierik dat in Amsterdam veel kleine waterkeldertjes bestonden, waarin het regenwater werd opgeslagen dat op het dak werd opgevangen. En uit eerdere archeologische publicaties was ook bekend dat er bij de grote huizen ook grote kelders lagen.
Maar … en daarin zit misschien wel het grootste nieuws: in Deventer werden ook regenbakken gebouwd. Dániel Moerman had in zijn archiefonderzoek een setje gevonden uit 1594. Het blijkt nu dat er in Deventer niet zo veel regenbakken gebouwd werden als in het westen, maar zij waren er dus wel en zij waren vroeg. Zij kwamen vooral voor bij de huizen van welvarende mensen aan de hoofstraten, bovendien werden ze nog tot in de negentiende eeuw bijgebouwd. Dat stelt nu wel een bekende these ter discussie, dat de waterkelders in Amsterdam gebouwd werden omdat vanaf ongeveer 1500 het grondwater brak werd. Want in Deventer was het grondwater uiteraard niet brak, maar juist van uitstekende kwaliteit, dankzij de hoge ligging op zandgrond en ver weg van de Zuiderzee.


In deze onderzoeken is ook de vraag bekeken of we archeologisch kunnen zien of putten gemeenschappelijk gebruikt werden. En het antwoord is ja, want er is een duidelijk verschil in ligging. Sommige putten liggen centraal op een erf of dichtbij een gebouw. Andere liggen precies op de erfscheiding of er leiden publieke stegen naartoe die duiden op gemeen gebruik, of allebei. Dit sluit aan bij wat we in teksten hebben gevonden, we komen daarop terug in onze publicaties.
Verder bevatten de rapporten natuurlijk fascinerende gegevens over de bouw en constructie van de putten. Hoe realiseer je een put zonder dat je bedolven raakt door een instortende kuil? Hoe maak je een put waterdicht en voorkom je dat er afvalwater instroomt uit vervuilde grond? Hoe bouw je een waterkelder?

De gegevens zijn in een uitgebreide catalogus en database ondergebracht en ook uitvoerig gekarteerd en voorzien van schitterende bouwtekeningen en opgravingsfoto’s, waardoor we ook kunnen begrijpen hoe het archeologisch onderzoek verlopen is en wat de betekenis van de conclusies zijn.
Het is allemaal te lezen in deze rapporten:
Onze eigen archeoloog Bart Levering had al eerder de waterkelders en putten van drie steden in West-Friesland onderzocht, Hoorn, Enkhuizen en Medemblik, en de waterkelders van Amsterdam. Deze rapporten zijn nu ook beschikbaar.
Hoorn, Enkhuizen en Medemblik hadden te kampen met brak grondwater, net als Amsterdam, zodat het logisch lijkt dat regenwater werd opgevangen, en dat blijkt ook te kloppen. Veel huizen hadden kleine waterkeldertjes en enkele hadden grote. In Zutphen lijkt het patroon op dat van Deventer, veel privéputten en enkele huizen met waterkelders. Het eveneens vergelijkbare systeem van publieke waterputten wordt behandeld in het proefschrift van Dániel Moerman.
Het onderzoek over Amsterdam gaat onder meer over de vraag wanneer men begon met de bouw van waterkelders, in hoeverre de grootte van waterkelders samenhing met de functie van het gebouw waar ze bij hoorden (woonhuis, bedrijf) en hoe de constructie zich ontwikkelde.
Het verschil tussen deze onderzoeken en die van de archeologische diensten, is dat die van de diensten veel omvangrijker en diepgaander zijn. Het onderzoek van Bart Levering stamt uit het begin van de looptijd van ons project en heeft ons de ogen geopend voor de onderaardse wereld van de stedelijke watervoorziening. Het heeft ook enorm geholpen om na te denken over hoe het archeologische onderzoek kan bijdragen om onze onderzoeksvragen te beantwoorden. Het is gebaseerd op de publicaties van de diensten (te vinden op de website van de stedelijke diensten), terwijl de diensten van Amsterdam en Deventer hun hele database van opgravingen hebben gebruikt voor hun rapporten en bredere onderzoeksvragen hebben kunnen gestellen.
De studie van Bart Levering over Amsterdam is te vinden via deze link.
De studies van Bart Levering over Hoorn, Enkhuizen en Medemblik zijn op te vragen via onze webbeheerder Hannah Heath: h.j.heath@student.vu.nl
Petra van Dam